Het schrijven van een goede dialoog is essentieel voor een goed verhaal en tegelijkertijd een van de moeilijkste aspecten van het schrijversschap. In de dialoog komen verscheidene zaken samen: overtuigende personages, sfeer, plot, emotie. Een goede dialoog is veel meer dan alleen maar het weergeven van wat personages zeggen.
Elke dialoog heeft een functie in dienst van het plot – er kan niet zomaar in het wilde weg gebabbeld worden, dat leidt af en haalt het tempo uit het verhaal. Een vuistregel is dat elke dialoog het verhaal verder moet helpen: het plot vooruit helpen, de personages uitdiepen, informatie overbrengen. Een goede dialoog is meer dan alleen maar het onder elkaar zetten van uitspraken.
Hieronder volgen een aantal suggesties om je dialoog te verlevendigen:
realisme
Een veel voorkomend verschijnsel is houterige dialoog. De een zegt, de ander antwoordt, enzovoort. Dit is saai. Laat nooit twee personages alleen maar spreken – wissel de dialoog af met andere elementen. Men kan elkaar inde rede vallen, geluiden kunnen een of meer personages doen opkijken. Probeer het ritme van de dialoog af te wisselen.
Goede dialoog is geen realistische dialoog! Al te veel realisme is storend. Goede dialogen zijn verkorte vormen van wat mensen werkelijk zeggen, zonder de talloze herhalingen, afgebroken zinnen, uh’s, ah’s en uhm’s. Dit geldt ook voor dialecten en accenten. Schrijf dit nooit uit! Veel schrijvers hebben de neiging om boeren plat te la’n prat’n. Een enkel woord gecombineerd met de aanduiding dat het personage in dialect spreekt (“zijn accent maakte hem bijna onverstaanbaar”) is meestal voldoende. Zoals gezegd, dialoog is meer dan het uitschrijven van wat er wordt gezegd. Overbodige delen van een dialoog kun je beter samenvatten:“ze spraken nog een tijdje over de verschillende verwanten die ze beide kenden”.
omgeving
Omgeving is een belangrijke factor bij een dialoog. Waar bevinden de personages zich? In een rustige omgeving zoals een kamer, in een bos met ruisende bomen en fluitende vogels? Geluid en geur kunnen een belangrijke bijdrage leveren voor de sfeer van een gesprek. Een wapperend gordijn, een kaars, de vallende duisternis, de geur van rook of afval, een klepperend raam. Maak gebruik van de omgeving – het is daarbij wel belangrijk dat je weet hoe de omgeving eruitziet (zie ook: scène).
functie, relatie, situatie
Denk eraan dat een personage in elke scène een andere rol speelt en interacteert met verschillende personages. De relaties tussen de personages en hun karakters bepalen samen met de situatie waarin ze verkeren de aard van het gesprek. Hoe reageren ze op elkaar? De een kan heethoofdig zijn, de ander lankmoedig, ze kunnen een hekel aan elkaar hebben. Een personage dat iemand te vriend wil houden zal zich anders gedragen dan normaal. Het is allemaal van invloed op gedrag en woordkeuze. Niemand praat onder alle omstandigheden hetzelfde.
beweging
Tijdens een gesprek zit niemand stil. Je maakt gebruik van je handen door gebaren te maken, op tafel te trommelen, aan je mouw te plukken, voorwerpen aan te raken. Gebaren zeggen vaak meer dan woorden. Ogen zijn nuttige instrumenten bij een dialoog. Ze kunnen het haardvuur reflecteren, vollopen met tranen, ten hemel geheven worden, oogballen kunnen rollen – het gezegde zegt niet voor niets: de ogen zijn de spiegel van de ziel. Blikken kunnen doden, et cetera. Maar maak niet de volgende, veel voorkomende fouten als Hij wierp een blik op tafel of Zijn ogen volgden haar door de kamer.
eigenheid
Net zoals mensen zich aanpassen aan situatie en gesprekspartner, zo heeft iedereen bepaalde eigenschappen die uniek zijn en die herkenbaar zijn voor iedereen die hem kent: een bepaald woordgebruik, een favoriet woord dat steeds terugkeert, een bepaald gebaar, een zenuwtrek. Dit soort elementen, mits spaarzaam gebruikt, verhogen de herkenbaarheid bij de lezer en geven zowel personage als dialoog meer diepte.
onderbreking
Mensen onderbreken elkaar voortdurend tijdens het spreken, zeker als de gemoederen hoog oplopen. Bij spaarzaam gebruik kan dit een heel effectief middel zijn om een sfeer en tempo in een dialoog te brengen. We gebruiken hiervoor een halfkastlijntje (‘… –’) of een dubbel koppelteken (‘… –’).
Fouten bij dialoog
Er zijn een aantal zaken die bij veel schrijvers – en niet alleen beginnende schrijvers – fout gaan. Een goede dialoog is een realistische dialoog: de personages praten zoals echte mensen praten. Natuurlijk moet je, zoals we hierboven hebben gezien, dat realisme niet al te letterlijk nemen, maar het is belangrijk om voor ogen te houden dat je dialoog natuurlijk blijft en niet geforceerd. Er zijn een aantal valkuilen die gemakkelijk te vermijden zijn.
Ø de dramaziekte
Veel schrijvers hebben de onbedwingbare neiging om in dialoog het woordje “zei” te vervangen door allerhande kleurige bijwoorden, zoals:
“We kunnen maar beter opschieten,” zei Peter haastig;
“Ik denk dat we in de problemen zitten,” grimaste Leon
“Jij bent grappig!” schaterde Mira
“Ach, maak je niet zo druk,” glimlachte ik.
Dit zijn allemaal manieren om extra emotie in een dialoog te voegen. Het is echter storend en meestal volstrekt overbodig. De schrijver gebruikt het vaak om er zeker van te zijn dat de lezer begrijpt wat er aan de hand is. Het komt vaak voor in de vorm van personages die hard lachen om hun eigen grappen, luid janken, of wat ook, allemaal klassieke gevallen van overacting. De lezer krijgt hierdoor geen kans de emoties van het moment zelf in te voelen.
Het woordje “zei” is een van de meest onzichtbare woorden in onze taal, dat je zo vaak kunt gebruiken als je wilt. De lezer ziet het als niet meer dan een soort label en zal het waarschijnlijk niet eens meer bewust lezen. Om emoties en leven in je dialoog te brengen kun je veel beter wat meer tijd nemen en werken met gezichtsuitdrukkingen, lichaamshoudingen, en dat soort dingen. Kijk maar eens om je heen in het café, of als je in de trein zit, hoe mensen non-verbaal communiceren. Dus je kunt beter zeggen:
“We zitten in de problemen,” zei Leon. Hij vertrok zijn gezicht in een grimas en sloot zijn ogen. “Ik zie geen hoop meer.”
Mira schaterde het uit van plezier. “Jij bent grappig,” zei ze, terwijl ze de tranen uit haar ogen veegde.
Ø wollige dialoog
In veel historische fictie (en ook fantasy) spreken de personages alsof ze uit een toneelstuk van Shakespeare komen. Veel schrijvers denken dat archaïsch taalgebruik ook een historische sfeer neerzet. Fout! Dat doe je met de kleding van je personages, de omgeving, dat soort details, zoals hierboven beschreven. Er is geen excuus voor zinnen als:
“Geenszins, waarde heer! Uw hebbelijkheden storen mij in het geheel niet! Laten wij een aantal verfrissingen gebruiken in gindse herberg!”
Dit verschijnsel komt in vele varianten voor, ook in eigentijdse verhalen. Het wordt gewoonlijk veroorzaakt omdat de schrijver te correct wil zijn en al te formele woorden gebruikt die je normaal gesproken alleen in schrijftaal gebruikt. Daarom doen veel soaps ook onecht en stijf aan: de personages zijn te “netjes” en gebruiken te ingewikkelde zinnen en te moeilijke woorden.
Neem de zin “dat is geenszins het geval”. Zou iemand dat zeggen in normale, alledaagse omstandigheden? Het is waarschijnlijker dat deze persoon iets zou zeggen als “Dat is helemaal niet zo” of gewoon “Helemaal niet!”
Ø “technobabble”
Een vaak voorkomend verschijnsel in Amerikaanse SF-series op televisie en SF-romans uit de jaren vijftig en zestig, dat zich naar het Nederlands laat vertalen als “technisch geleuter”. Hierbij laat de schrijver zijn personages een overvloed aan (vaak verzonnen) technologie in hun dialoog gebruiken om te laten zien hoe geavanceerd ze wel niet zijn. Deze informatie is bijna altijd volstrekt overbodig.
Ø “zoals je weet” dialoog
Een manier van infodump via dialoog, waarbij personages elkaar dingen vertellen die ze allang weten, alleen maar omdat de lezer de informatie nodig heeft. Dit is helaas een zeer gebruikelijke techniek. Te herkennen aan zinnen als “je weet toch dat” of “zoals je weet”. Het is bijna altijd saai en slecht voor het verhaaltempo, en ergert dus de lezer. Het wijst erop dat de schrijver onvoldoende heeft nagedacht over de opbouw van zijn verhaal, of een veel te complex plot heeft opgezet.
Vaak is deze infodump helemaal niet nodig. Zeker bij SF hoeft de lezer vaak helemaal niet te weten hoe een techniek werkt, alleen wat de invloed ervan is op de lezer. Je hoeft een interstellaire ruimteaandrijving niet uit te leggen – belangrijk is dat ze de ruimtevaarders van ster A naar ster B brengen, misschien met de toevoeging dat ze er een beetje ziek van worden. Zodra je een duidelijk beeld schetst van hoe het leven van de mens beïnvloed wordt door een vinding hoef je zelden aandacht te besteden aan de theorie die erachter steekt – behalve natuurlijk als het van belang is voor het plot.
Een veelgebruikt middel om dit probleem te vermijden en op een natuurlijke en geloofwaardige manier informatie te presenteren is een personage op te voeren dat nog niet op de hoogte is. Wie neemt het zo’n personage kwalijk als hij vragen stelt over zijn omgeving en situatie? Een ander personage kan dan zijn vragen beantwoorden.
Ø zinloze dialoog
Elk jaar moeten de juryleden weer door een groot aantal scènes heen worstelen waarin koffie wordt ingeschonken, maaltijden gekookt, kamers schoongemaakt, en meer van dat soort zaken. En bijna altijd zijn dergelijke scènes overbodig – en dan met name de dialoog. Dit soort bezigheden zijn nu eenmaal niet interessant. Lezers willen een leuk verhaal lezen – ze weten al hoe koffie wordt ingeschonken. Bekijk onderstaande dialoog:
“Nog wat koffie?” vroeg Angela. Ze pakte zijn kopje en zette het op het dienblad.
“Nou graag,” zei Harrie.
“Twee suiker, toch?” Angela schonk het kopje bij. Ze zette de pot weg en deed twee klontjes in het kopje toen Harrie knikte. Ze gaf hem het kopje aan.
“Dank je,” zei Harrie, terwijl hij glimlachend het kopje aannam.
De kunst van het schrijven is de kunst van het weglaten, of soms de kunst van het samenvatten. Een dergelijke koffiescène draagt niets bij aan de ontwikkeling van plot of personage en moet dus gewoon weggelaten worden. Is het belangrijk dat we weten dat Harrie twee klontjes suiker in zijn koffie doet? Misschien bij een misdaadverhaal, waarbij het een onderdeel is van de oplossing (“Hij gebruikte slechts één klontje,” zei de detective. “Dus deze Harrie is een bedrieger!”). Meestal echter volstaat “Ze dronken koffie”.