Hoe schrijf ik een goed verhaal – V Personages

Personages zijn de dragers van elk verhaal en zijn bepalend voor het welslagen van je plot. Ze bevolken de wereld die je met zoveel zorg hebt gebouwd, zijn de acteurs in het verhaal dat je vertelt. Van de held tot de onbekende stalknecht die zijn paard verzorgt, van het bejaarde oorlogsslachtoffer tot cokesnuivende yup, het zijn mensen van vlees en bloed en het succes van je verhaal hangt in hoge mate af van hoe overtuigend en levensecht je ze weet neer te zetten.

De lezer wil meeleven en meegesleept worden door hun problemen, hun verdriet, vreugde en triomfen. Dit is een van de moeilijkste aspecten van het schrijven van een verhaal, en zelfs geroutineerde auteurs worstelen hiermee. De vraag is dus, hoe creëer je levensechte personages die de lezer aanspreken. Er zijn een aantal aspecten die hierbij van belang zijn.

 

De juiste persoon

We hebben hierboven bij het behandelen van perspectief gezien hoe belangrijk het is om goed na te denken over wie je het verhaal laat vertellen en door wiens ogen we het verhaal beleven als lezer. En beleven is hier het sleutelwoord. Om ervoor te zorgen dat de lezer zich met de personages identificeert is het noodzakelijk dat de lezer het conflict dat centraal staat in het verhaal (zie ook plot) ook daadwerkelijk meebeleeft.

Denk eraan, als je hoofdpersoon er niet bij is, is de lezer er ook niet bij, en zaken die aan hoofdpersoon en lezer uitgelegd moeten worden hebben veel minder impact dan zaken die direct worden ervaren. Daarom is het ook van belang dat er voor de hoofdpersoon iets op het spel staat, dat het ergens om gaat.

Zodra je als schrijver bij de lezer het gevoel kan oproepen dat het ook wel eens fout kan gaan, heb je de spanning gecreëerd die nodig is om de lezer beet te pakken en verder te laten lezen. Betrokkenheid is het sleutelwoord en als je personages niet betrokken zijn, waarom zou de lezer dat wel zijn? Als schrijver moet je dus het conflict van je hoofdpersoon duidelijk naar voren laten komen in de dingen die hij meemaakt en de beslissingen die hij moet nemen.

Het belangrijkste is dat de lezer zich betrokken voelt bij je hoofdpersoon en het verhaal. Om dit te bereiken moet je hoofdpersoon aan een aantal voorwaarden voldoen:

 

  1. hij/zij moet aanwezig zijn bij de belangrijkste gebeurtenissen
  2. hij/zij moet actief betrokken zijn bij het plot en niet aan de zijlijn staan als passief observator
  3. hij/zij moet een persoonlijk belang hebben in de conclusie van het verhaal, zelfs al hangt dit af van andere personages

 

Je zou deze drie punten samen kunnen vatten als: zorg ervoor dat je lezers zich met je hoofdpersoon kunnen identificeren. Dit betekent niet alleen dat je al je personages zorgvuldig moet uitwerken en hen in de juiste situaties moet plaatsen, maar ook dat je hier de juiste personen voor kiest.

Om weer even terug te komen op het voorbeeld van onze schilder en zijn pogingen om vervalste schilderijen te verkopen. Centraal in het verhaal staat het morele dilemma waar hij voor staat: kiest hij voor het oplossen van zijn problemen of voor zijn idealen. Zou je dit dilemma even treffend kunnen verbeelden als je in plaats van een verarmde idealistische schilder de minister van cultuur als hoofdpersoon zou nemen? De eigenaar van een galerie?

Waarschijnlijk niet. Op de eerste plaats zou je de drijvende kracht achter je verhaal, zijn armoede en idealen, kwijt zijn en dat is juist wat het geheel zo indringend maakt. Op de tweede plaats, dit soort personen zouden hoogst waarschijnlijk niet in dezelfde problemen geraken, omdat ze zich in heel andere kringen bewegen en als ze betrokken raken bij de handel in vervalsingen, dan meestal in een heel andere context (fraude, politieke schandalen) die tot heel andere centrale vraagstukken voor je verhaal leiden.

Mensen die in het dagelijkse leven hoge functies bekleden zijn meestal niet erg geschikt voor een kort verhaal. Hun problemen zijn te omvangrijk voor een kort verhaal en hun dagelijkse beslommeringen staan meestal ver af van de meeste lezers. Dit zijn personages die een roman nodig hebben om effectief ontwikkeld te worden, omdat je erg veel achtergrondinformatie nodig hebt om de context te schetsen waarin ze functioneren.

Dit geldt natuurlijk ook (en misschien zelfs wel juist) voor schrijvers van genreverhalen. Koningen, generaals, goden en machtige magiërs zijn over het algemeen geen goede personages voor een kort verhaal. Een koning houdt zich bezig met het regeren van het land, het besturen van zijn onderdanen, het in toom houden van zijn edelen, overleg voeren met andere koningen. Een generaal houdt zich bezig met de duizenden details die een groot leger met zich meebrengt, zoals logistiek, training, personeelsmanagement.

Om dit probleem te omzeilen plaatsen schrijvers dit soort personages vaak in een situatie die wel geschikt is voor een verhaal, maar die ongeloofwaardig is gezien hun achtergrond.

Een bekend voorbeeld is de eerste Star Trek serie, waarbij de kapitein, het hoofd van de medische dienst en zelfs de plaatsvervangende kapitein zich op een missie op een vreemde en vijandige planeet begeven. En in elke aflevering was het steeds het arme anonieme bijpersonage dat gedood werd, omdat de anderen allemaal hoofdpersonen waren die te belangrijk waren voor de serie om dood te gaan.

Kijkers van nu lachen er om – het is iets waar ze reikhalzend naar uitkijken, maar niet om redenen die de scriptschrijvers voor ogen hadden. Serieuze schrijvers beseffen dat op een militaire expeditie de kapitein zich niet in gevaar begeeft, al helemaal niet in gezelschap van zijn plaatsvervanger. Dit zijn de mensen met de kennis en ervaring nodig om het schip weer uit het gevaar te loodsen als er iets fout gaat.

Er is een reden waarom in de meeste politieromans de rechercheur de hoofdpersoon is en niet de politiecommandant. De rechercheur staat midden in de gebeurtenissen en heeft de vrijheid om te gaan en staan waar hij wil, zolang hij de zaak maar oplost. Dit betekent dat je hem in veel interessantere situaties kunt brengen dan de commandant, die zijn tijd besteedt in een vergadering of achter zijn bureau. Kies daarom personages die wat dichter bij de lezer staan en die passen bij het verhaal dat je wilt vertellen. Plaats gewone mensen in ongewone omstandigheden – dit zal de meeste impact hebben op de lezer.

 

Achtergrond en motivatie

Bedenk bij het creëren van een personage goed wat zijn motieven zijn. Motivatie komt voort uit zowel karakter als omgeving. Mensen hebben een reden voor wat ze doen en de keuzes die ze maken. Dit is van groot belang voor je verhaal. Niet alleen met betrekking tot de levensechtheid van de personages (hun gedrag), ook voor de loop van het verhaal (met andere woorden, het plot).

Mensen veranderen niet zomaar van mening, worden niet zomaar verliefd op de eerste de beste persoon, doen niet zomaar iets zonder reden. Hier gaat altijd een proces aan vooraf; ervaringen, een reeks van keuzes. Alles wat een personage doet, moet in overeenstemming zijn met zijn karakter en achtergrond en daar logisch uit voortvloeien.

Stel dat je onze schilder – laten we hem Nico noemen – als verlegen en timide hebt neergezet, met een idealistische instelling, zeker als het gaat om de puurheid van zijn kunst. Nico zal niet zo maar veranderen in een dappere en onversaagde held, in geen enkel opzicht. In gevaarlijke situaties zal Nico waarschijnlijk kiezen voor de veilige oplossing en proberen risico’s te vermijden. De lezer zal dus niet zonder slag of stoot accepteren dat hij zomaar besluit schilderijen te gaan vervalsen. Je zult ook moeten bedenken hoe hij in contact is gekomen met de duistere figuren die hem het geld hebben geleend, want dit zijn geen figuren die je in zijn kennissenkring verwacht.

In elk verhaal zitten een aantal momenten waarop je als schrijver je hoofdpersoon een aantal keuzes moet laten maken. Als het goed is, heb je een plot dat draait om deze beslissingen – want een goed plot draait om mensen, niet om gebeurtenissen. En het succes van je verhaal hangt af van de geloofwaardigheid van de keuzes die je Nico laat maken, maar ook van de situaties waar je hem in plaatst.

Een tweede punt hierbij is dat de belangrijkste personages in je verhaal ook een ontwikkeling doormaken. Dit is een logisch gevolg van het feit dat je ze in allerlei conflictsituaties plaatst die hen dwingen over zichzelf en de wereld na te denken. In Nico’s geval gaat het uiteindelijk om heel fundamentele keuzes die hij moet maken, waarbij hij beslissingen neemt die indruisen tegen zijn karakter. Er moet dus in de loop van het verhaal het nodige gebeuren die de aanleiding kunnen zijn voor die beslissing, iets dat zijn blik op hemzelf en de wereld verandert.

Dit geldt voor alle genres. Niemand pleegt zomaar een moord – ook geen zelfmoord. Niemand neemt zomaar de beslissing zijn vrienden te verraden, zijn partner te verlaten, een dief te worden, een draak te gaan bevechten, wat het ook is waar je plot om draait. Dit soort cruciale momenten (zie ook De magische Hoge Hoed) moet zorgvuldig worden opgebouwd (of ingeleid, om het wat nauwkeuriger uit te drukken).

Bedenk bij alles wat je een personage laat doen of het ook logisch is dat, gezien de omstandigheden, hij of zij dit ook echt zou doen. Er moeten dus goede redenen zijn voor elke keuze, los van wat de schrijver wil dat zijn personages doen. Je ziet personages vaak rare bokkensprongen maken omdat de schrijver zich in een hoek gemanoeuvreerd heeft. Het is dus belangrijk om je goed in te leven in je personages, zodat je zelf kunt aanvoelen wat ze in bepaalde omstandigheden zullen doen en hoe ze zich gedragen.

Zorg er dus voor dat je al je personages goed kent en hun achtergrond op papier hebt staan. Denk daarbij aan alles van temperament, uiterlijk, morele en ethische overtuigingen, politieke houding, beroep, gewoontes, eigenaardigheden, voorkeuren, spraakgebruik, angsten, dromen, doelen, familiegeschiedenis – kortom, alles wat een persoon uniek maakt en bepalend is voor de keuzes die hij maakt.

Veel van wat je van een personage bedenkt zal niet in het verhaal terechtkomen, maar het zal het je helpen om ze levensecht en overtuigend neer te zetten. En daarbij geldt: ook irrationeel gedrag heeft altijd een reden

 

Round characters, flat characters en (arche)typetjes

In een goed verhaal ontwikkelen de hoofdpersonages met het plot mee. Ze veranderen onder invloed van de gebeurtenissen die je hen als schrijver laat ondergaan. Maar de ontwikkeling van een personage kost veel ruimte en het is daarom raadzaam slechts een of hooguit twee personages te nemen die een dergelijke ontwikkeling ondergaan. Dit worden ook wel de round characters genoemd.

In een verhaal komen natuurlijk veel meer dan een of twee personages voor, die ook allemaal levensecht moeten overkomen. De lezer moet het gevoel krijgen dat deze personages handelen, praten en denken als echte mensen, ondanks het feit dat ze lang niet zo goed uitgewerkt zijn en zich niet of nauwelijks ontwikkelen. Dit zijn de zogenaamde flat characters.

Je hoeft van deze personages geen uitgebreid profiel samen te stellen, maar het verdient de aanbeveling om met een paar korte steekwoorden een achtergrond en karakter te schetsen, aan de hand waarvan je kunt bepalen hoe ze denken en handelen en – het allerbelangrijkste voor dit soort personages – hoe ze praten, want ze worden meestal in dialoog opgevoerd.

Veel beginnende schrijvers maken de fout om hun bijpersonages op te voeren op het moment dat de hoofdpersoon informatie nodig hebben, of opgevoerd worden als onderdeel van een situatie bedoeld om de hoofdpersoon vooruit te helpen. Ze verschijnen op het juiste moment, zeggen hun regels tekst, geven de informatie die het plot nodig heeft en verdwijnen dan weer voorgoed. Dit worden de figuranten genoemd, in juryrapporten ook wel aangeduid met termen decorstukken, schaakstukken of pionnen.

Vaak nemen deze personages de vorm aan van typetjes, een soort standaardfiguur met een uiterlijk en gedrag die onmiddellijk te herkennen zijn voor de lezer. Voorbeelden van deze typetjes (of ook wel archetypen genoemd) zijn er te over: de verstrooide professor, de berooide student, het domme blondje, de onhandige kluns-met-bril, de knappe man met tandpastaglimlach, de gewetenloze misdadiger, de onbuigzame militair, de domme politieman, de dikke Duitser.

Deze figuren zijn zo vaak gebruikt in films, strips en boeken dat de meeste lezer letterlijk aan een paar woorden genoeg heeft. Ze hebben geen gezicht en geen eigen leven, omdat hun gedrag al in het typetje vervat zit. Ze zullen de lezer dan ook nooit verrassen, nooit iets onvoorspelbaars doen. Ze zijn gemakkelijk te gebruiken voor de schrijver, want je hoeft geen achtergrond en karakter te verzinnen. Het zijn kant-en-klare personages.

Het nadeel is dat ze saai en voorspelbaar zijn en geen enkele uitdaging vormen voor een lezer. Je weet vooraf al hoe ze gaan reageren, en ervaren lezers weten vaak ook al hoe de hele scène waarin ze worden opgevoerd eruit gaat zien. Het gebruik hiervan is dus duidelijk een teken van zwakte aan de kant van de schrijver, die blijkbaar geen moeite wilde doen om echte personage te verzinnen. Het is dus zaak dit soort personages te vermijden.

Aan de andere kant is het zo dat veel van dergelijke stereotype personages als het ware in onze cultuur ingebakken, zodanig dat we er ons vaak niet van bewust zijn dat we ze gebruiken. Dat geldt ook voor de manier waarop een schrijver vrouwen portretteert, of mannen, of mensen uit andere culturen. Dit is ook een reden waarom het zo belangrijk is om je verhaal nadat het af is zorgvuldig te redigeren en een of liever meer mensen te zoeken die je verhaal willen lezen voor je het instuurt.

Het maakt in principe niet zo heel veel uit hoe je deze personages vormgeeft, zo lang je maar in de gaten houdt dat ze op hun plek zijn waar je ze ten tonele voert. Hun aanwezigheid moet een zekere logica bezitten. In een duistere achterbuurtkroeg zal je zelden een astrofysicus aantreffen, of een plastisch chirurg – niet zonder speciale reden, in elk geval.

Andersom geldt hetzelfde – een arme metselaar die een pilsje zit te drinken zal niet op de hoogte zijn van de nieuwste ontwikkelingen in de kwantumtheorie of complexe filosofische ideeën uiteenzetten. In dit soort situaties speelt bij slechte verhalen toeval vaak een te grote rol en bij al te veel toevalligheden zal de lezer zich gaan ergeren (zie ook plot).

Dus als je van plan bent een bijpersonage te gebruiken in een rol die van belang is voor het plot, zorg er dan voor dat dit personage een reden heeft om daar te zijn, en een reden voor zijn gedrag of voor wat hij de hoofdpersoon zal gaan vertellen. Je hoeft die redenen niet altijd expliciet te maken, zolang het personage op zijn plaats en een persoon van vlees en bloed is.

 

Hoofdpersoon, protagonist en antagonist

Er zijn verschillende typen personages te onderscheiden, een beetje afhankelijk van welke theorie je openslaat. Ik beperk me nu even tot een aantal van de belangrijkste: de hoofdpersoon, de protagonist, de held en de antagonist.

De hoofdpersoon is het personage door wiens ogen wij het verhaal zien – dit is het point of view-personage (zie ook perspectief). De protagonist is het personage waar het plot van afhankelijk is, zonder wie het verhaal niet verder kan. Nu lijkt het verwarrend om hoofdpersoon en protagonist te scheiden, maar net als de hoofdpersoon niet de verteller hoeft te zijn, is de hoofdpersoon niet altijd het belangrijkste personage in een verhaal.

Neem de verhalen over Sherlock Holmes van sir Arthur Conan Doyle. In deze verhalen is dr. Watson de hoofdpersoon, hij vertelt het verhaal. Maar het belangrijkste personage, de persoon waar het verloop van het verhaal van afhangt, is natuurlijk Sherlock Holmes. Een ander bekend voorbeeld is Anne Rices Interview with a vampire, waarbij Louis de verteller is, maar Lestat de drijvende kracht achter het verhaal – en dus de protagonist.

In de meeste korte verhalen is de hoofdpersoon echter ook de protagonist – dit wordt ook wel de held van het verhaal genoemd. De praktische reden hiervan ligt voor de hand. In de beperkte ruimte die de schrijver bij een kort verhaal tot zijn beschikking staat is het veel effectiever om de lezer aan je te binden door point of view en plot aan hetzelfde personage op te hangen.

De antagonist is de tegenspeler van de protagonist. Dit hoeft niet noodzakelijk een “slecht” of “boosaardig” persoon te zijn, de stereotype bad guy die probeert de hoofdpersoon in het verderf te storten. De antagonist staat tegenover de hoofdpersoon in functie van het plot, wat dus niet betekent dat de antagonist ook een hekel hoeft te hebben aan de hoofdpersoon. Het kan zijn dat de antagonist zijn best doet om de hoofdpersoon te hinderen door te roddelen, te intrigeren, zijn familie te vermoorden, wat dan ook, afhankelijk van het verhaal dat je schrijft. Maar anderzijds kan het iemand zijn die zo graag wil helpen dat hij juist het tegendeel bereikt.

 

Personages beschrijven

Het sleutelbegrip bij het creëren van levensechte personages is de manier waarop ze zich gedragen. Zoals we al eerder gezien hebben bij het schrijven van goede dialogen is het belangrijk om geloofwaardig te blijven. De acties van een personage moeten, zoals hierboven beschreven, altijd goed onderbouwd zijn zijn.

Er zijn veel manieren om de informatie die je over een personage hebt verzameld in een verhaal te verwerken: dialoog, kleding, uiterlijk, gedachten, flashbacks, herinneringen, en wat dies meer zei. En, afhankelijk van het perspectief dat je hebt gekozen, ook andere personages of de verteller kunnen informatie geven over je hoofdpersoon.

Zeker wat betreft de hoofdpersonen is het belangrijk dat de lezer genoeg informatie krijgt om zijn ontwikkeling in het verhaal te kunnen volgen en de keuzes die hij maakt te begrijpen. Maar het gevaar bestaat hierbij dat je te veel informatie geeft. Veel schrijvers zijn bang dat ze niet duidelijk genoeg zijn en overcompenseren door veel meer informatie te geven dan de lezer nodig heeft.

Dit geldt speciaal voor het uiterlijk van een personage. Dit is een punt dat vaak moeilijkheden oplevert. Hoe beschrijf je het uiterlijk van je hoofdpersoon zonder in saaie uitleg te vervallen? Een truc die vaak gebruikt wordt is die van de spiegel, of een reflecterende winkelruit, die de schrijver in staat stelt om het personage zichzelf te laten beschrijven:

 

Hij keek in de spiegel en zag dat hij in de afgelopen dagen ouder leek te zijn geworden. Zijn dunne bruine haar hing dof over zijn voorhoofd, tot vlak boven zijn groene bloeddoorlopen ogen. Hij streek met zijn hand over zijn ingevallen wangen en voelde een opkomende baard. Hij was te mager geworden en hoewel hij nog een ruime 80 kilo woog, leek hij met zijn 2 meter net een wandelend skelet.

 

Dit komt echter erg kunstmatig over omdat het vaak lijkt op het opsommen van een boodschappenlijstje: baard, ogen, haar, lengte, gewicht, wangen, zeker als je verhaal een ik-perspectief heeft.

Het is dus verstandig om de beschrijving van het uiterlijk over het verhaal te verspreiden. Hij kan verstrooid een hand door zijn “dunner wordende bruine haar” halen, zijn ogen in een scheerspiegel zien ’s ochtends vroeg terwijl hij “het scheermes voorzichtig over zijn ingevallen wangen haalde”. En ook de andere personages in het verhaal kunnen hun steentje bijdragen: “‘Wat ben je mager geworden,’ zei Hannah. ‘Je lijkt wel een skelet van 2 meter.’”

Op deze manier kun je onopvallend veel informatie kwijt. De vraag die je je daarbij kunt stellen of het wel absoluut noodzakelijk is dat de lezer exact weet hoe een personage eruitziet – de meeste lezers vinden het juist leuk om dit voor het grootste deel zelf in te vullen. Dat is, tenslotte, de lol van het lezen. Het is dus van belang dat je vooraf een idee hebt van welke informatie absoluut noodzakelijk is, zodat je deze informatie tijdens het schrijven zodanig in het verhaal kunt verweven zonder gebruik te maken van uitgebreide beschrijvingen. Ook hier geldt: show, don’t tell.

Een belangrijk onderscheid hierbij is dat tussen het innerlijke leven en de handelingen van het personage. Wat een personage doet is vaak veel duidelijker een reflectie van een bepaalde karaktereigenschap dan een lange innerlijke monoloog. De verleiding is vaak groot om de gemoedstoestand van een personage te beschrijven. In zulke gevallen lees je zinnen als “hij voelde zich onzeker” of “het maakte hem nerveus”. Dit kan en is soms noodzakelijk, maar gebeurt het te vaak dan zal de lezer zich gaan ergeren.

Het is daarom veel beter om die nervositeit terug te laten komen in handelingen: zijn handen trillen, hij rookt te veel, laat een kopje vallen, verspreekt zich, vergeet dingen, bijt op zijn nagels. Het is vaak veel effectiever als de lezer zelf merkt dat een personage nerveus is, in plaats van dat het personage het hem vertelt.

Dit werkt op vele niveaus. Stel je personage is wanhopig op zoek naar een partner. Hoe laat je dit zien zonder het letterlijk te zeggen? Hiervoor is het vaak nuttig om wat research te verrichten, in dit geval ouderwets veldwerk. Ga naar een kroeg of een club en kijk hoe mensen zich gedragen. Let op de stereotypes, die zullen het eerst opvallen. Kijk naar de details: het likken van de lippen, hand door het haar, de verschillende manieren waarop mensen kunnen kijken, gecombineerd met de stand van het hoofd, hoe dicht ze bij iemand gaan staan, et cetera.

Tot slot de vraag hoe ver je moet gaan in het uitwerken van de motieven van je personages. Het antwoord hierop is moeilijk te geven, omdat het afhankelijk is van het soort verhaal dat je schrijft en het soort schrijver dat je bent. Een vuistregel is: doe in elk geval wat absoluut noodzakelijk is voor het verhaal. Stel jezelf de volgende vragen:

 

a)      hoe ver kan ik gaan

b)      ben ik er in geslaagd de motieven en het karakter van mijn personage goed weer te geven

c)      hoe ver moet ik gaan: is de manier waarop ik mijn personage heb neergezet juist voor mijn verhaal

 

In principe mag je zo veel achtergrondinformatie van een personage uitwerken als je zelf wilt – sommige schrijvers doen dit voor elk personage in het verhaal, omdat ze dit nodig hebben om zich succesvol in hun huid te kunnen kruipen. En inlevingsvermogen is cruciaal bij het neerzetten van overtuigende personages.

Om de vraag of je er in geslaagd bent een goed en overtuigend personage neer te zetten te kunnen beantwoorden is het meestal goed dit oordeel over te laten aan anderen die je verhaal voor je willen lezen. Zij zullen meteen antwoord kunnen geven op het derde punt, dat nogal eens wordt onderschat.

Het komt vaak voor dat een schrijver er uitstekend in is geslaagd overtuigende personages neer te zetten die de lezer aan het hart gaan, maar dat hij zo is opgegaan in het beschrijven van zijn personages dat het verhaal zelf naar de achtergrond gedrukt wordt.

In een kort verhaal heb je – het is al vaker gezegd – weinig ruimte om te vertellen wat je in je hoofd hebt en dit ook nog eens te doen op een manier die lezers geboeid houdt. Dit betekent dat alles, ook je personages dus, in functie staat van je verhaal. Wees summier met de informatie die je uiteindelijk in je verhaal verwerkt en vertel niets wat geen functie heeft.

In de praktijk betekent dit dat je slechts een aantal aspecten van een personage in je verhaal kunt verwerken. Het is daarom belangrijk dat deze aspecten ook luid en duidelijk naar voren komen. Manieren om dit effectief te verwerken in je verhaal komen in de komende twee hoofdstukken aan bod: Dialoog en Emoties en gedachten.

 

Naar hoofdstuk 6: Dialoog

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>