door LeoArie Elsenaar
Mijn voorselectie is achter de rug. Mijn taak zit er nog niet op, want wanneer de resultaten van alle drie voorselecteurs gecombineerd zijn, maken we nog de definitieve lijst van verhalen die doorgaan naar de tweede ronde. En daarmee gaan de juryleden aan het werk. Ons, voorselecteurs, rest dan nog om commentaar te schrijven voor de afvallers.
Ik bereid mij daar langzaamaan op voor. Vandaar dat deze bespiegeling een wat negatiever karakter heeft. Het doet geen recht aan de goede, geweldige en hier en daar briljante verhalen die wat mij betreft door mogen gaan. Maar zij krijgen hun detailcommentaar van de juryleden zelf.
Na deze voorselectie voelde ik mij weer bevestigd in het beeld dat zelfs een steengoed idee, voortgekomen uit briljante inspiratie, kan leiden tot een waardeloos verhaal wanneer de auteur elementaire taal- en verhaalfouten maakt. Taalfouten geven het verhaal een slordige, onsamenhangende en onduidelijke indruk. Voeg daaraan toe de spanningsloosheid, veroorzaakt door verhaalfouten, en met pijn, vertwijfeling, maar ook lichte verontwaardiging, zie ik het steengoede idee geheel naar de gallemiezen gaan. Wat resteert is soms alleen een taalfoutenfestival of een verhaal dat in zijn spanningsloosheid leest als een synopsis.
Waarom die verontwaardiging? Omdat ik regelmatig binnen de wereld van fantasy en sciencefiction een discussie meemaak over taal- en verhaalbeheersing. Het is ondergeschikt aan originaliteit, aan inspiratie. Voorop staat het steengoede idee. Zolang de schrijver ten minste middelmatige taal- en verhaalbeheersing heeft, kan het met de nodige redactie tot een goed verhaal worden gemaakt. ‘En daar hebben we toch redacteuren voor,’ wordt er dan losjes aan toegevoegd. ‘Het gaat om het talent.’
Daar ben ik het slechts zeer ten dele mee eens. In het algemeen gaat er authenticiteit verloren wanneer redacteuren relatief veel werk besteden aan een verhaal. De schrijver mist een kans om zijn eigen keuzes voor spanningsopbouw, toonzetting of gelaagdheid aan te brengen. Maar er is meer. Er is een grens waaronder men geen redacteur meer nodig heeft, maar een ghost writer. En ik heb de indruk dat die grens in het genre van fantasy en sciencefiction vaker dan in andere genres in benedenwaartse richting overschreden wordt.
Die indruk is geleidelijk bij mij ontstaan, door mijn jury- en redactiewerk de afgelopen jaren. Hoe komt het? Ligt het aan mijn waarneming? Ligt het aan de hogere eisen die fantasy en sciencefiction aan verhalen stellen? Of aan de hogere prioriteit die schrijvers van fantasy en sf aan Het Idee geven? Zou het samenhangen met mijn beeld dat er bij fantasy en sf relatief meer talent is dan bij andere genres? Is het te veel gevraagd wanneer ik van een schrijver een zodanige taalbeheersing eis dat ze ten minste nummer 1 van de 25 populairste adviezen van Onze Taal niet meer nodig hebben?
Wat het ook zij, ik kan en zal diverse auteurs wijzen op gemiste kansen bij hun verhaal. Ik zal met voorbeelden laten zien hoe de bedoeling en de kracht van zinnen versterkt kunnen worden wanneer er geen taalfouten gemaakt worden. Ik zal laten zien dat verhaallijnen veel meer ‘pakken’ wanneer alineëring en camerawerk op orde zijn. Dat de inleefbaarheid enorm toeneemt wanneer er balans tussen show en tell is, wanneer alle zintuigen aan bod komen in het verhaal, wanneer de perspectiefkeuze afgestemd is op de inhoud, wanneer elk belangrijk personage zijn eigen toon heeft, wanneer de gekozen registers consequent gebruikt worden, wanneer –
Schrijven is een vak. De inzendingen aan de Paul Harlandprijs 2012 vertellen mij dat er veel talent is in Nederland. Wanneer al die getalenteerden blijven schaven aan hun vakkennis, ben ik ervan overtuigd dat we de komende jaren nog veel meer moois van Nederlandse bodem gaan zien. En dat houd ik voor ogen wanneer ik mijn commentaren schrijf.
Pingback: Gastblog: Naar een sterk Nederlandstalig genre – september 2012 | Fantasyboeken.org