Duidingen aan de achterkant van tijd en ruimte – Jan J.B. Kuipers

Eregastspeech Katcon (Beneluxcon), Katwijk 10 maart 2012

Multigenre-auteur Jan J.B. Kuipers

Foto van de auteur (c) H.M.D. Dekker

 

Op reis!

Deze bijdrage heeft het karakter van een mozaïek, maar de steentjes vormen wel een paar patronen; het tekenen van rechte lijnen is aan mij niet zo besteed. Ik ben min of meer van de Oude Stempel en daarom bedienen de personages in mijn fantastische verhalen zich meestal van beproefde en door de traditie gewettigde vervoersmiddelen: zij steken de grote gaten in de hemel over met behulp van een Gefingeerde Zwaan; ze nemen de benenwagen langs de achterkant van tijd en ruimte – dat is nog eens iets anders dan een wormgat – of ze varen tussen de sterren op een lymfisch kanaal.

Het zijn geen reismethoden met het democratische gehalte van een voor iedereen te doorgronden technologie. In het titelverhaal van mijn bundel Bannenfluister, hemelglas uit 1995 (Babel SF | Verschijnsel), dat echter al verscheen in de grote Ganymedes-jubileumbundel van ’86, toen de wereld nog voor de helft zwart-wit was, gaat dat als volgt:

‘Iqalkaun en de Imp hadden één van de exclusieve hemelpaden bereisd, die verboden zijn voor welk voetvolk dan ook, en waar de enige maatstaf van tijd en ruimte de eigen hartslag is. Voor de Imp had de reis een week geduurd, voor de hoge Iqalkaun enkele dagen.’

In het veel latere verhaal Ooyrade, opgenomen in de recente bundel Hubake’s Huis (eveneens bij Verschijnsel), wordt een al even doeltreffende wijze van interstellair verkeer toegepast: de reiziger die met de pilote Istrogaag meewil, wier derde oog is verworden tot een fossiel eendenei, krijgt uit een kalebas een soort hemelmelk te drinken en braakt vervolgens een stinkende golf witte vloeistof uit; uit dit galactische zog verrijst vervolgens een vaalwitte mist waarin de hut van de pilote met alle inzittenden wegzinkt en door de peilloze kloven van tijd en ruimte naar zijn bestemming stort.

Maar het is helaas nooit exact de bestemming die je gehoopt had te bereiken, en met een beetje pech verlies je onderweg ook nog een arm of ander lichaamsdeel – en doorgaans héb je gewoon pech. Altijd moet er betaald worden; het was geen wonder, aldus het hoofdpersonage uit dit verhaal Ooyrade, dat ruimtereizen in onbruik waren geraakt.

De meest betrouwbare en conventionele manier van reizen vinden we in de verre configuratie van de Verbonden Plaatsen, waar de katalyst Valster Boltaan zijn twijfelachtige heldendaden verricht, in dienst van de anonieme Maatschap die de meeste touwtjes in handen houdt.  Wie de juiste pasjes en privileges bezit kan één van de schaarse Torens betreden, de juiste coördinaten intikken en vervolgens uitstappen in de wereld van zijn of haar keuze. Het gaat maar één op de tienduizend keer mis, en in dat geval verandert de reiziger in een dampend hoopje plasma, maar dat zegt weinig over de betrouwbaarheid van de desbetreffende hypertechnologie – meestal zijn deze treurige gevallen toe te schrijven aan een vilein complot en politieke machinaties. Kortom: de normale omstandigheden.

 

Sense of wonder

Lopen van wereld naar wereld, dat roept een sfeer op van Arcadië – en dan heb ik het nog niet eens over de overstap van je eigen wereld naar een parallelle, waarvoor vaak slechts het stappen door een poort nodig is, of de inname van enigerlei substantie.

Arcadië: het land waar de dingen minder omlijnd en voorgeschreven zijn dan in onze streken anno nu, sinds de uitvinding van de klok en het kompas.

Arcadië is natuurlijk het mythische land, waar de sense of wonder onbekommerd heerst. In de jaren tachtig heb ik in Holland SF een paar artikelen gepubliceerd over sciencefiction als folklore en over het verband van het genre met het fenomeen religie. De titels waren spitsvondig bedoeld: respectievelijk Hugo Gernsback & ‘t vliegend tapijt en De mythe van een voetnoot.

Maar waar ging het eigenlijk om?

Sciencefiction en aanverwanten zijn folklore in de moderne zin dat met folk elke afgescheiden groep kan worden bedoeld, zoals de SF- en Fantasyfans met hun eigen tradities en rituelen, waar wij op ditzelfde moment vrolijk aan mee zitten te doen – dus genoeg daarover.

De sense of wonder is op dit moment interessanter. Dit is het geïntensiveerde belevingsaspect dat het genre verbindt met de religieuze aandoening: die van het numineuze en het sublieme. De theoloog Rudolf Otto en de filosoof Edmund Burke als wegbereiders van Philip J. Farmer, die ooit beweerde dat godsdienst de allereerste vorm van sciencefiction was. Hij verloor hierbij uit het oog dat het genre alleen een nieuw jurkje om een hoogbejaard lijf was, een nieuwe zak met oude, stokoude wijn.

Sciencefiction en alle verwante genres zijn culturele voetnoten van de Mythe, die een onverwoestbare basishouding ten opzichte van het universum weergeeft. Namelijk onze hardnekkige neiging om de werkelijkheid van de behoefte te projecteren op de raadselachtige werkelijkheid van onze ervaring, en onze beschamende machteloosheid in die werkelijkheid. Van de Mythe met hoofdletter M zijn de afzonderlijke mythen, de verhalen met een kleine m, de verbijzondering: al die zinrijke of volkomen absurde verhalen over één of ander contact tussen natuur en bovennatuur, of tussen de empirische werkelijkheid en de transcendente, niet- materiële onwerkelijkheid.

In de fantastiek gaat het net als in de religie om uitdrukking als uiterlijke, ‘objectieve’ werkelijkheid van innerlijke dynamiek. U weet wel: ik verzin een held die de dood overwint. Omdat mijn lichaam daarom schreeuwt. Terwijl andere genres zich eerder bezighouden met interactie tussen endogene en exogene dynamiek – tussen de wereld in mij en de wereld buiten mij, waarbij de empirische werkelijkheid een bepalende factor blijft. U weet wel: ik verzin een held die de angst voor de dood al of niet overwint.

Een helder en werkbaar onderscheid. Maar helaas, dat vond ik vroeger.

 

Exitus infelix

Nu denk ik heel anders over de rol van de Mythe, althans in mijn eigen fantastische werk. Ik heb me namelijk vaak afgevraagd waarom het de meeste van mijn personages zo slecht vergaat. Ze worden in duizend stukken gebroken, ze vervagen of blijven treurig achter op een eenzame rots. Ze krijgen niet de Prijs, terwijl hun banale en platvloerse vijand alle trofeeën binnenhaalt. Alleen de gewetenlozen schijnen te winnen, ware het niet dat de meeste van mijn onfortuinlijke hoofdpersonen ook uiterst flexibel met het geweten omgaan.

Hoe komt dat toch?

Natuurlijk omdat naast het grote aspect van de Mythe dat van de Tragedie oprijst: de noodlottige afloop, de exitus infelix, is onafwendbaar. Het hoogst haalbare is de catharsis, het reinigende inzicht – en dan vrijwel uitsluitend bij de lezer of misschien de schrijver.

Maar die kan meestal zijn ironie niet bedwingen, dat harnas van de romanticus – en waar tragedie en ironie elkaar ontmoeten zitten we in het grensland van de tragikomedie. Personages blijken hardleers en denderen voort op hun doodlopende spoor, het toeval slaat toe, absurde zijlijnen leiden af van de grote rode draad, en die zijlijnen leiden terug naar hun beginpunt óf lopen eveneens dood ergens in de buitenste woestenij van onze existentie.

De bekende Amerikaanse mythograaf Joseph Campbell, een bewonderaar overigens

van de door ondergetekende gehate Star Wars-saga, geeft verschillende betekenissen van de mythe: hij noemde deze the song of the universe, maar omschreef haar ook wel als een soort interface tussen onze organen en het brein: dus als het lichaam en zijn behoeften dat zich aan de waarneming en het bewustzijn presenteert.

Campbell had ook de hoogst omstreden visie dat de mythologieën van onze wereld een soort gemeenschappelijke code tot uitdrukking brachten, waaronder de imperatief van het aanvaarden van het niet veranderbare, van de eeuwige individuele eindigheid gepaard aan de kosmische regeneratie.

 

Mythische helden zonder sociaal instinct

Enige retrospectie leert dat het in mijn eigen oudere SF-verhalen óók verbazend vaak gaat over de relaties van lichaam, identiteit, vergankelijkheid en onsterfelijkheid. Enkele voorbeelden laat ik hier de revue passeren. In Jagerslied (een verhaal, voor het eerst gepubliceerd in Ganymedes 9, 1985) rukt Gugu Filosel, één der befaamdste en meest onbehouwen onsterfelijken uit de Octantische mythologie, zich los van de bekoringen van het Vat van Plenty om terug te vinden wat hij verloren was: zijn eenduidige en niet inwisselbare individualiteit. Hiertoe meent hij alsnog een eervolle dood te moeten ondergaan, om zich vervolgens te kunnen vervoegen in De Goede Plaats, het hiernamaals waar de halfgoden en gestorven heiligen eeuwig vertoeven.

Het blijkt een zonde tegen de archetypische structuur. Mythische helden zijn weliswaar gespeend van overdreven sociaal instinct, maar helpen door hun onverschrokkenheid hun gemeenschap drastisch vooruit. Tot een dergelijk positief functioneren is de meedogenloze slachter Filosel niet in staat. Niettegenstaande zijn, dankzij zijn Veerkracht onvernietigbare lichaam is Gugu een antiheld, die uiteindelijk weer op zijn punt van vertrek belandt. En wel in een veel deplorabeler conditie dan toen hij vertrok. Zijn queeste is een mislukking geworden. Het Vat van Plenty is wellicht de ultieme droom van de verzorgingsstaat, maar onsterfelijkheid, zo leren we, is niet te verenigen met onze aan een handjevol plekken, een handjevol relaties en een handjevol tijd verbonden individualiteit.

De Gang der Pragmatieken (voor het eerst gepubliceerd in het Ragnarok-jaarboek van 1994) is een historie waarin op zoek wordt gegaan naar de grens van de Virtualiteit – een ijselijk gedateerde term inmiddels, maar in het kader van dit verhaal uitermate toepasselijk -, alwaar de vereenvoudigde, werkelijke werkelijkheid de ik-figuur zal wachten. Vereenvoudiging is zeker zijn deel; een nadeel hiervan is dat de belevenissen van de protagonist worden geperst in de beproefde, maar min of meer kromgetrokken sjabloon van de oude Werken van Herakles.

De held van het verhaal verandert na tal van ontberingen in een geperverteerde afspiegeling van deze heros, om tenslotte een al even jammerlijke versie van Hesperus, bewaker van de Appelen der Jeugd, te verslaan – alleen om tot de conclusie te komen dat hij, hier aan de uiterste kust, nu zijn eigen verslagen slachtoffer dient te worden, gevangen aan de boorden van een desolate zee. ‘Daar ergens is misschien de werkelijke werkelijkheid,’ peinst de aan zijn nieuwe, troosteloze want definitieve identiteit geketende ik-figuur, ‘minstens één stap voorbij elk van mijn verhalen.’ Slotsom: wie de sluiers van fabels, fantasieën en schijnwerkelijkheden verwijdert staart slechts in de leegte, en verlangt wanhopig naar de oude drogbeelden.

Mijn Lege Helm, met rijp getooid (winnaar King Kong Award 1987) heeft een verwante thematiek. Seminole Fortunatus reist in het gierige licht van Algol door de wereldmatrijzen, op zoek naar de onvergankelijke Objectieve Wereld. Dat hij, vergezeld door zijn Geest en een onbezielde Inanimaal, in een soort travestie van de eerbiedwaardige triade lichaam-ziel-geest, die Objectieve Wereld onstuitbaar nadert blijkt wel uit het feit dat er steeds letters uit zijn naam wegvallen; ook Gugu Filosel had trouwens grote problemen om zijn naam een beetje bij elkaar te houden.

Eenvoud is opnieuw het kenmerk van het ware?

Tenslotte blijkt in Mijn Lege Helm, dat speelt met Hegels list der rede en Fichte’s idee van het Absolute Ik, dat de objectiviteit weinig goeds met ons sterfelijke lichaam voorheeft: het met zijn Inanimaal versmolten hoofdpersonage blijft in het zicht van het einddoel achter, terwijl zijn Geest zich van hem losrukt om op te gaan in de gigantische lichtbol aan de einder: het konterfeitsel van de Wereldgeest, bron en doel van alles.

Het laatste voorbeeld: simpele, boerse magie is aan de orde in Het twaalfde ambacht en hogerop; als eerste publicatie kon ik alleen mijn bundel Bannenfluister, hemelglas uit 1995 achterhalen. De dorpsheks Festa van het eiland Walaker (Bedoel ik misschien Walcheren? Nee, ik bedoel Walaker) weet met behulp van handig geritste runenstokjes en een beetje seksuele manipulatie de tijdbarrière te overwinnen en zo haar doel te bereiken: promotie tot de status van godin. Maar ook háár zo onweerstaanbare gedaante is niet tegen deze transformatie opgewassen. Op de ruige bult voorbij de tijd zijn nog altijd de drie Nornen actief, onverpoosd werkend aan het tapijt van de geschiedenis. Het is een alomvattend weefsel waarin de kersverse godin onverbiddelijk wordt opgezogen, want ook de sluiers van tijd en ruimte vallen wanneer je je gedaante laat vallen:

‘Festa voelde zich wegzinken in het veelkleurige bergpad. Ze worstelde en vocht, maar raakte zo nog verder verstrikt in draden en patronen. Met bedachtzame rukjes haalden de weefsters het bergpad van haar lot in – Festa verdween protesterend tussen de armen van het getouw, die haar nijver begonnen te ontrafelen.’

 

Het sjabloon van Gernsback

De origine van mijn belangstelling voor SF en aanverwanten is, na de gebruikelijke voorbereiding met behulp van sagen en legenden en het alle levensterreinen bestrijkende Jongensboek, te dateren in de tegencultuur van eind jaren zestig, begin jaren zeventig (David Crosby: ‘The sixties duurden van 1965 tot 1975’). Ik maakte kennis met het genre door toedoen van mijn broer Gert, met wie ik een aantal verhalen en de roman Het spel om de regendanser (Verschijnsel) heb gepubliceerd. Hij toonde me titels uit de witte reeks van Meulenhoff, met hun vaak aan de recente kunstgeschiedenis refererende omslagen.

De zogeheten underground-cultuur van die jaren vertoonde trouwens fikse parallellen met bepaalde stromingen van het voorafgaande fin de siècle: een bedwelmende mix van alternatieve microcultuurtjes, utopisme, wierook, frappante uitmonsteringen, lange tot zeer lange haren, raaskallende profeten, droom en visioen, al of niet opgewekt dankzij de scheikunde, en uiteindelijk dystopie en nachtmerrie natuurlijk. Net als het symbolisme van het eind van de negentiende eeuw, dat uitliep in het lawaaiige modernisme, was het ook snel – veel sneller nog –gedaan met de subcultuur van de late jaren zestig, die in zijn esthetiek trouwens zwaar teruggreep op de art nouveau.

Er is ook een parallel met de fantastische literatuur: SF, om me maar tot die term te beperken, was een tijdje zeer hip onder de hippies, terwijl ook de fantastische literatuur kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog grote opgang maakte. Zo publiceerde Hugo Gernsback in 1911 zijn feuilletonroman Ralph 124C 41+ over het jaar 2660. Ruimteschepen, laserpistolen, alle decorstukken waren aanwezig – het leidmotief was echter middeleeuws-keukenmeidenachtig: er moest een geliefde worden gered.

 

De flakkerende toorts van Lafferty

Mijn eigen voorkeur bereisde van meet af aan de randgebieden van het genre: het werk van Lafferty bijvoorbeeld, waarin SF-motieven moeiteloos passen in de onheuglijk oudere traditie van de tall tale. Om over kamelen maar te zwijgen (Not to mention camels, 1976) vind ik nog altijd een van de meest intrigerende en bizarre titels uit het genre, waarvan ik overigens de jongste ontwikkelingen niet zo bijhoud. Het boek is in wezen een ouderwets christelijke moraliteit, maar dan gehuld in een onthutsend vitaal-mytholgisch en tegelijk postmodern jasje.

Het postmodernisme heeft onbedoeld veel raakvlakken met mijn eigen interpretatie en verwerking van de fantastische letteren. Deze stroming die geen stroming wilde zijn en intussen toch is bijgezet in de vitrine van de stromingen, vertoont vele kenmerken die ook mijn eigen verhalen binnen het genre tekenen: de nadruk op taligheid in plaats van op werkelijkheidsnabootsing; overlapping en kruisbestuiving van thema’s en motieven uit de elite- en de populaire cultuur; het becommentariëren en al of niet verwrongen citeren van andere teksten. Zo verwijst het verhaal De presentatie in mijn recente bundel Hubake’s Huis min of meer naar de sfeer van Robert Musils eindeloze, in feite nooit voltooide roman Der Mann ohne Eigenschaften, maar er lopen ook protagonisten in rond uit andere verhalen van mezelf. Zoals Philostratos Buguraz, wiens levensspanne bijna twee eeuwen bestrijkt en te vergelijken is met die van de legendarische graaf van Saint-Germain.

Buguraz’ eerste avontuur speelt zich af in de late achttiende eeuw (Groot bruin met kippesporen in Bannenfluister, hemelglas); zijn voorlopig laatste, als hij een oude invalide man is geworden, in het hier besproken De Presentatie, dat zich mogelijk afspeelt in een variant van Wenen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Een stad waarin ook mijn eigen, nooit helemaal in kaart te brengen Biosofisch Instituut een zetel heeft, waarin de kelner die de sekt rondbrengt Eichmann heet en waarin we ook een karakter uit de film Asphalt Jungle uit 1950 ontmoeten.

 

Voorspellende kracht en smetteloze dames

Want jazeker, de verbeeldingskunst heeft voorspellende kracht. Niet alleen in retroperspectief zoals in De presentatie, maar ook ‘werkelijk’. Het uit 1990 daterende Strauss’ verdwijndpunt (ook opgenomen in Hubake’s Huis) speelt zich af in de oude, stemmige badplaats Opatijah aan de Adriatische Zee. In het verhaal speelt een geheimzinnige, niet te helen scheur in het plaveisel van de promenade aan zee een prominente rol. Deze duidde natuurlijk op de aanstaande scheuring van Joegoslavië en de burgeroorlog, maar toen ik dat verhaal schreef legde ik dat verband helemaal niet. Ik vertaalde gewoon wat er in de lucht hing.

Juist dankzij de vrijheid en vaagheid van de fantastische vorm kun je zeer dicht op de huid van de werkelijkheid komen: je vangt sferen en losse incidenten op, en opmerkingen van mensen, de naklank van het nieuws en krantencommentaren en zie: de nieuwe vorm waarin je dat alles giet is een fantastisch verhaal, dat door middel van de leugen de waarheid vertelt.

Strauss’ verdwijnpunt was een soort prelude op het type verhalen dat ik binnen het genre tegenwoordig bij voorkeur schrijf. Ze spelen zich af hier, bij ons, op onze Aarde en in onze bekende geschiedenis of overgeleverde mythologie. Tenminste, min of meer. Zoals het slotverhaal uit de bundel Hubake’s Huis (vergeef me dat ik af en toe overkom als een handelsreiziger). Dit verhaal heet Waarvan het goud de schaduw is en behandelt de Klondike-goudkoorts in Alaska omtrent 1900 en de naweeën daarvan. Toch loopt er naast historische figuren ook weer de oude bekende Buguraz rond. We komen in geciteerde brieffragmenten het Biosofisch Instituut weer tegen, de Indiaanse mythologie komt op de proppen en er zijn motieven te bespeuren die ook de verhalen bepalen die zich afspelen aan de andere kant van het tijdruimtecontinuüm: de harmonicakwaliteit van de tijd, de onbereikbare smetteloze Dame, hier toepasselijk Mrs. Pale genoemd.

 

Steeds diezelfde motieven

Steeds diezelfde motieven, dan kom je automatisch bij het begrip archetype terecht. In Holland SF heeft Marcel Orie vorig jaar (2011) met de Jungiaanse theorieën als achtergrond een artikel geschreven over Kuiperiaanse personages en hun achterliggende sjablonen: hij meent vooral de invloed van de twee archetypen van de Eva en de Schaduw te herkennen. Archetypen die werken als een soort waarheidsserum in de verhalen, waarin echter de personages die ze vertegenwoordigen steeds hun eigen pad kiezen en muiten tegen hun rol en de kennelijke bedoelingen van de auteur.

Er zit best iets in. Het personage van Mrs. Pale doemde bijvoorbeeld op via een foto in een publicatie die ik kreeg toegestuurd van een park ranger, toen ik na een bezoek aan het Alaskaanse mijnstadje Skagway een artikel schreef voor een publieksblad over archeologie. Mrs. Pale had ooit geleefd, haar foto bewijst het, maar haar naam was (waarschijnlijk!) anders en haar lotgevallen rukten zich los van zowel de historische ‘Mrs. Pale’ als de archetypische in mijn verhaal. Misschien dient zij nog eens aan een nader onderzoek te worden onderworpen en zal ze zich voegen in de rij van repeterende personages zoals Philostratos Buguraz, Valster Boltaan, Madame Blavatsky (die hoeft geen nadere introductie) en Madame Solowoyow, of de in fantasy-settings opererende Ioachim de Wijze, boosaardig wijsgeer en autokannibaal en de Hocus Pas van de gebroeders Kuipers. Of personages die alleen secundair voorkomen, als auteur van raadselachtige geleerde publicaties, zoals Rudolf Immuabel en Tolen Imitans.

Waarom al deze namen genoemd? Ze noemen en ze beschrijven is ze scheppen en in leven houden. Wie personages creëert heeft een fikse verantwoordelijkheid.

 

Fantastiek binnen de fantastiek

Die wending naar een fantastiek binnen de grenzen van onze wereld en onze geschiedenis en referentiekaders gaat gepaard met een sterk gegroeide overtuiging dat fantastiek alleen van waarde is als deze boven het pure vermaak of de pure esthetische bevrediging uitgaat: het moet fantastiek zijn die beantwoordt aan onze neiging tot escapisme en tegelijk de ontsnappingsweg onthult als fictie: als fantastiek binnen de fantastiek.

Enkele voorbeelden van fantastiek waarin het beschreven leven meer is dan een bedwelming voor onze angsten: A song of Ice and Fire van George R. Martin, waarvan nu de TV-bewerking Game of Thrones terecht enige opgang maakt. Of het onvergetelijke Gormenghast van Mervyn Peake (1950), met dank aan Paul van Leeuwenkamp die mij daar jaren geleden op wees. Er is ook van Gormenghast een goede BBC-tv-bewerking gemaakt trouwens, waarin de kwaadaardige Stuurpiek nog gespeeld wordt door de acteur die in The Tudors de nog gevaarlijker Hendrik VIII speelt. Dat terzijde – maar: alles hangt samen met alles, dat is óók een van de motieven van deze bijdrage.

Het moet, kortom, over het leven zélf gaan. Fantastiek is in haar ideale vorm voor mij een gekostumeerd bal, met in het centrum van de balzaal een kale heremiet die onprettige waarheden over de gepommadeerde koppen schreeuwt. We zien deze akelige boeteprediker in deze context als een act voor onze verstrooiing en zijn dus geneigd even naar hem te luisteren, met zijn deprimerende gekwaak over dood en vergankelijkheid.

Het leven zoals het is uitdrukken is de bedoeling. In de kunst is de uitbeelding de diagnose, en de diagnose is de therapie en genezing. Je kunt het leven weerspiegelen op realistische wijze, die altijd quasi-realistisch is zoals in de psychologische roman – of op de gekostumeerde manier, door het onderduiken in de wereld van het symbool en de allegorie, de metafoor, de tot leven gebrachte zinspeling en de autogene vergezichten.

Die laatste manier heeft toch meestal mijn voorkeur: je zegt waar het op staat en tegelijkertijd zit je op een comfortabele salonboot die je langs schitterende en sublieme oevers voert.

Het onderscheid met mimetische of realistische literatuur is hoogstens gradueel. Immers: elk werk van fictie brengt een parallelle realiteit tot uitdrukking of, beter gezegd, een parallelle realiteit die in ons dagelijkse universum zit ingevouwen. Het klinkt bijna natuurwetenschappelijk, we zitten op het goede spoor.

Ooit waren Kunst, Religie en Wetenschap één geheel. Dat zijn we in de dagelijkse praktijk allang vergeten, maar het feit blijft. Behalve het grondmotief van de Mythe is er dat van de Poësis: het ‘maken’ van iets. Iets uit niets, of uit iets wat nog niet onderscheiden is van andere ietsen, uit het amorfe dus. De Big Bang was vooral een bliksemschicht in ons hoofd. Zonder dat wij ernaar kijken zijn er geen vergezichten, geen microben, geen savannes, oceanen, woestijnen, fascinerende Mrs. Pales en roekeloos met lichtsabeltjes om zich geen slaande heren.

 

Poëzie

Er is dan ook (ook hier weer in het spoor van Paul van Leeuwenkamp) een grote verwantschap tussen ware fantasy en het poëtisch gemoed (zie ook de recente discussie in Holland SF). En dan komen we op een aspect van fantastiek dat we nog niet genoemd hebben: het presenteren van iets meerduidigs in concrete beelden.

Zoals mijn eigen vrij recente gedicht De Man Die Vliegen Kan: mogelijk een matig gedicht. Maar niettemin een gedicht dat zowel een irreëel, mythologisch thema behandelt als een relaas is over ouder worden en depressie.

 

De man die vliegen kan vliegt minder dan voorheen.

Hij staat nog zelden in de dakgoot om zijn terrein te overzien;

meestal zie je hem niet, zit hij beneden want zijn vrouw is ziek.

De man die vliegen kan beslist in de schemering of hij wel / niet

zal gaan (doorhalen wat niet van toepassing is).

Zelden nog klinkt uit het centrum van zijn slaap de uilenroep.

Hij houdt van haar en zij van hem: met zorg maakte

ze jaar na jaar de gaten voor de vleugels van de man

die vliegen kan in het rugpand van zijn colberts.

De rondjes die hij vliegt lijken ook steeds kleiner te worden:

de auto’s, bomen, huizen, mensen beneden zijn altijd hetzelfde

ook al zijn ze vaak anders (niet doorhalen wat niet van toepassing is).

Hij cirkelt boven de daken en heeft steeds vaker last van de kou.

Laatst mompelde hij bij zichzelf wat hij eigenlijk sodeju met die

vleugels moest; trok zijn dasje vaster en vloog met bijna imposant te

noemen slagen traag en novemberachtig terug naar huis.

 

Het gedicht kan gelezen wordt als een fantastische of poëtische tekst, maar de duiding erachter zal niemand die een beetje sensibel is voor sferen ontgaan.

Ik herhaal: alle werken van fictie spelen zich af in een parallelle realiteit, of het nu gaat om een streekroman, een onbegrijpelijk dadaïstisch kort verhaal of aflevering 5000 uit de Perry Rhodanserie (kent u die uitdrukking nog?). Er is zelfs, als we uitgaan van het formatieve principe, de pure, gemeenschappelijke grondslag van het formuleren van tekst over iets, maar een betrekkelijk onderscheid tussen fictie of poëzie en non-fictie, tussen de Mei van Gorter en het handboek voor de jonge chemicus. De term multigenre-auteur die hoofdredacteur van het Zeeuws Tijdschrift Paul van der Velden jaren geleden op mij plakte heb ik dus gretig aanvaard en omarmd als een geuzennaam, een eretitel.

 

Het wijkende ik

Tussen personages, wezens van papier of elektrisch geschitter op een scherm, en wezens van vlees en bloed bestaat een aanzienlijk grotere kloof dan tussen feit en fictie. Toch, als we het hebben over de diepe geestelijke wereld die de dunne laag van de zintuiglijke waarneembare wereld schraagt, doordringt en ook overkoepelt, zijn alle wezens die we tegenkomen personages op ons mentale behang. Zelfs ons eigen ‘ik’ is een constructie weten we dankzij de moderne psychologie: een personage, een voortbrengsel van het anonieme denken.  We kennen het ik alleen door ons eigen denkvermogen. Maar wat betekent ‘ons eigen’ dan nog? Vele van mijn papieren personages en hun opgevoerde vertellers hebben met die kwestie geworsteld. Wisten zij veel dat hun geestelijke vader, hun godje als het ware, ook geen antwoord op deze vragen had?

De vertwijfelde auteur kan dan nog maar één ding doen: zichzelf als personage in zijn teksten introduceren en hem naar hartenlust fictionaliseren te midden van zijn creaturen. Ook deze kunstgreep heb ik meermalen toegepast, maar dan in een ander genre, namelijk dat van de neo noir-thriller, in een aantal avonturen van de Groninger antiheld Siebe Edens. De laatste en recente dikke roman over hem, De Put (Liverse), is een min of meer satirisch relaas over maatschappelijke verwording en occulte damesclubjes.

Zeer eigengereide personages – ik kom daar nog even op terug – zijn natuurlijk niets nieuws. In 1914 verscheen De man in de mist van de Spaanse Bask Miguel de Unamuno – in tegenstelling tot Gernsback een echte schrijver en denker, en een verkondiger van het ‘geloof in het geloof’ die het met geen enkel regime kon vinden en in 1936 stierf in huisarrest. In De man in de mist wendt het hoofdpersonage zich direct tot zijn schepper om klaarheid te verkrijgen omtrent zijn raadselachtige bestaan. Hij komt erachter dat zijn auteur van plan is hem te doden, en pleegt dan zelfmoord om zijn onafhankelijkheid te tonen. Maar ja, ook deze suïcide is door iemand geschreven… Niemand ontkomt aan zijn auteur.

 

Mist en muziek

Misschien geeft deze tekst blijk van extreem relativisme ten aanzien van het genre. Maar ook dat is relatief. Uiteindelijk gaat het in de traditionele SF, de fantastiek als geheel én in de poëzie naar mijn stellige overtuiging om het vieren van het mysterie en de magie van het zijn. Het bestaan zelf is de grootste inspirator van de sense of wonder. Je moet gewoon even opletten, de gewaarwording is gratis en zelfs zonder de middeling van drank of andere middelen beschikbaar.

In feite is het allemaal muziek: we luisteren naar de bij elkaar horende klanken van die archaïsche zanger met zijn oerconventionele lier, en als vanzelf bevinden we ons in de diepe schemer van het woud. We horen het druppen en stromen van helder koel water, een beekje ergens, alles licht uit zichzelf vaag op. Niettemin: je hebt het koud, overal loeren onwelwillende gedaanten uit hun duistere kaproenen, je staat op het punt van bezwijken aan je talrijke opgelopen wonden, je wilt gaan liggen, je wilt je ogen sluiten, nooit meer wakker worden – en dan breekt die muziek weer door, eerst bijna onhoorbaar en vaag, dan weer duidelijker; misschien is de lier van die versleten zanger een beetje vals merk je nu, storend vals zelfs, en zijn stem is gebarsten en ongelofelijk schor, het lijkt die ouwe Bob Dylan wel op zijn Never Ending Tour. Maar gelukkig speelt die bosvogel hetzelfde liedje als altijd, al klinkt het steeds anders, en we kunnen ons de woorden van het vertrouwde refrein nooit letterlijk herinneren, die zijn óók steeds anders. De zanger verzint ter plekke wat-ie zingt volgens mij, maar als we zijn woorden horen herkennen we ze meteen.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>