door Paul van Leeuwenkamp
Tweede plaats winnaar bij de King Kong Award (1992), acht keer top 10 klasseringen in de KKA/Millenniumprijs/Paul Harland Prijs (tussen 1982 en 2004).
De Wintertuin verlaten
(oorspronkelijk verschenen in Holland SF)
Paul Harland is dood. Hij heeft zijn Wintertuin verlaten en is de onzekere weg gegaan naar een nieuwe bestemming. Ons laat hij het verder zelf maar uitzoeken. Dat kan ik hem niet kwalijk nemen, want hij was mij niets verschuldigd. Ik heb hem nooit echt goed gekend, want al spraken wij elkaar ooit vaker, het was toch altijd wat terloops en altijd in zijn rol als schrijver. Desondanks heeft zijn vertrek een gat in mij geslagen, dat ondanks de dagelijkse drukte van gezin en projecten nog steeds voelbaar is. Alleen maar omdat de dood altijd confronteert met eigen sterfelijkheid? Ook dat. Maar het gaat verder. En ook al zijn er velen die beter over Pauls leven kunnen schrijven dan ik, zijn vrienden en familie, zijn minnaars, de schrijvers waarmee hij samenwerkte als Tais Teng, Paul Evenblij en Mike Jansen – er is er maar één die kan schrijven over het leven van Paul Harland in het leven van Paul van Leeuwenkamp, en dat ben ik.
*
Paul en ik waren alletwee rammen, aprilrammen zelfs, en al was hij vijf jaar jonger, we behoorden tot dezelfde SF-generatie. Hij debuteerde in 1980 met Stilleven met Plonmnenmnons in Ganymedes 5, waarin ook mijn debuut De kaping was opgenomen, al was het eind 1979 al in Holland SF verschenen. In dat zelfde jaar ontdekte ik Fantastische Vertellingen, waarin zich rond die tijd een clubje schrijvers verzamelde die het tijdschrift dynamisch en veelzijdig maakte. Naast uitgever Remco Meisner waren dat Patrick Bernauw, Jeroen Kuypers en ook Paul Harland. In 1981 verschenen in nummer 11 van dat tijdschrift mijn eerste recensies, naast die van Paul. Voor mij was dat een uitstapje, een uiting van enthousiasme, maar Paul was met bespreken van boeken, platen en films zeer actief. Ik publiceerde meer verhalen, in Holland SF, Rigel Magazine, SF Terra en in vanaf 1983 ook in Fantastische Vertellingen. Paul was spaarzamer met zijn verhalen.
Het begin van de jaren tachtig. De tijd van grote werkloosheid en maatschappelijke onrust. Ik was net gescheiden en verbleef na mijn afstuderen als bioloog vooral in de kroeg. In de spaarzame tijd die over bleef schreef ik verhaaltjes en las ik boeken en SF-tijdschriften. Een zwalkend bestaan, zowel voor wat betreft de kroegen als het schrijven. Paul Harland was slechts een naam. Durfde ik nauwelijks achter mijn bureau vandaan te komen, Paul durfde dat wel. Paul zwalkte ook niet, maar werkte doelbewust aan een carrière als schrijver. Zo schijnt mij dat achteraf toch toe. In 1983 verscheen dan ook zijn eerste boekje, De val van Nieuw-Versailles, uitgegeven in de Rare Boekjes-reeks van de Stichting Fantastische Vertellingen.
Naar aanleiding van dat boekje merkte ik in een brief terloops op: “Ik ben geen liefhebber van Vance, en het zal je daarom misschien niet verbazen dat de novelle van Paul Harland mijn stiel niet is. Ook de stijl van dit soort verhalen ligt me niet.” (FV16, augustus 1983). En dat was ook zo. Het was duidelijk dat Paul en ik een geheel andere smaak hadden. Hij dweepte met Jack Vance, een auteur die ik sinds mijn middelbare schooljaren geheel had afgezworen. Hij was enthousiast over saaie synthesizermuziek, terwijl ik naar Iggy Pop en David Bowie luisterde. Een verschil dat ook in onze verhalen zichtbaar was, bijvoorbeeld in Pauls De gerechten van Rouaan en mijn Doemdenken, twee verhalen die in de zomer van dat jaar bijna zij aan zij in King Kong SF 14 verschenen.
Paul sloeg hard terug, want zo was hij, zeker in die jonge dagen. Naar aanleiding van mijn verhaal Nieuwjaarsreceptie in Fantastische Vertellingen 16, augustus 1983, schreef hij in een brief in het volgende nummer: “Oké, kinders. Ik weet dat iedereen verhaaltjes mág schrijven, maar dat betekent nog niet dat iedereen het kán. Geen plot. Geen intrige. Geen verhaal. Traag. Taalgebruik gelimiteerd, maar van wat er is, is het beste gemaakt. Dit verhaal had niet langer hoeven te zijn dan één pagina.”
Natuurlijk raakte zijn uithaal mij en daarmee was de kiem van een pennenstrijd gelegd. Ik zou reageren op de wijze waarop een verhalenschrijver hoort te reageren: met een verhaal. En het zou een plot hebben en het zou snel zijn en goed geschreven. En tegelijkertijd zou het de spot drijven met die flauwe verwikkelingen op vreemde planeten à la Vance en Harland. Het werd De heldhaftige redding van prinses Bloemetje, met in de hoofdrol Pol Ha Ha ‘r Land. Uiteraard had dat verhaal moeten verschijnen in het daarop volgende nummer van FV, maar dat gebeurde niet. Ik zal wel weer te langzaam zijn geweest of het verhaal pas veel later hebben beëindigd of gecorrigeerd. In ieder geval verscheen het pas eind 1987 in King Kong SF. Polemiek was een gepasseerd station, maar het verschil tussen Paul en mij was er nog altijd en ik vond het laf om de naam van de hoofdpersoon te wijzigen.
In dezelfde brief waarin Paul mijn Nieuwjaarsreceptie de grond in boorde, bejubelde hij zijn 3de plaats bij de King Kong Award 1983. Hij vermeldde ook mijn 6de plaats, zo eerlijk was hij ook weer. Het staat mij bij dat we in een eerdere KKA, misschien die van 1981, ergens rond de vijftiende plaats waren geëindigd, maar dat heb ik niet kunnen terugvinden. In ieder geval zaten we in 1983 alletwee in de lift en troffen onze verhalen elkaar weer, nu in De Beste Verhalen van de KKA 1983. De klassering van de afzonderlijke juryleden toonde toen al een verschil dat altijd tussen ons is gebleven. Pauls verhaal werd met een 10de, 5de, 5de en 6de plaats beoordeeld, mijn verhaal met een 11de, 2de, 16de en een 2de plaats. De waardering voor Pauls verhalen was constanter, ze vielen bij een breder publiek in de smaak, iets wat ik altijd als een vorm van professionaliteit heb beschouwd, als een gevolg van het maken van een keuze en je dan volop inzetten om die keuze zo goed mogelijk gestalte te geven. Dat het niet mijn keuze was, deed niets af aan het respect dat Paul daarmee afdwong.
In 1984 steeg Paul verder. Met Fuga in frictieloos porcelein, dat hij samen met Tais Teng schreef, haalde hij een met Gods knikkers van Peter Cuijpers gedeelde eerste plaats, om meteen daarna geheel op eigen kracht met Epsilon in Malaysian Pale 3de te worden. Ik handhaafde mij in de subtop, vóór professionele schrijvers als Wim Burkunk en Manuel van Loggum. Uiteraard was ik van mening dat die eerste plaats geheel te danken was aan Tais Teng, wiens werk ik zeer waardeerde.
Voor wat betreft het schrijven waren schamele jaren aangebroken. Ik kreeg een vaste baan bij een softwarehuis en dat veranderde mijn leven totaal. Acht uur werken met daarnaast nog de reistijd naar en van verre oorden als Weert en Eindhoven en Zwolle. Cursussen en overwerken voor projecten die uit de hand liepen. Mijn schrijftijd versnipperde en daarbij bleek beter de uitbarstingen van de poëzie te passen dan de langere adem van het proza. Via Julien Raasveld was ik in contact gekomen met literaire tijdschriften en in 1985 verschenen in Appel mijn eerste gedichten.
Juist in die periode waarin ik mij steeds minder met SF bezighield, kreeg Paul een gezicht.
Mijn broer woonde in Amsterdam en toen Fantastische Vertellingen eind 1985 een Meynacht-2 organiseerde, was dat een ideale combinatie. Na bij mijn broer gegeten te hebben en met menig flesje bier een bodem voor de nacht te hebben gelegd, liepen wij naar de Café Miller, waar het festijn al volop bezig was. Een drukte van mensen aan de bar en in het zaaltje daarnaast lazen dichters hun gedichten en speelde de huisband rockachtige jazz. Wij gingen op in de drukte, luisterden naar de dichters en de gesprekken om ons heen. Toen was mijn broer plotseling in gesprek met Paul Harland – een moderne uitgave van de langharige hippie uit de jaren zestig, met spijkerbroek en brilletje – en tot overmaat van ramp bleek mijn broertje zich te hebben voorgesteld als Paul van Leeuwenkamp. Misschien een als grap bedoelde impuls, misschien om te voorkomen dat hij als niet-schrijver aan de zijlijn zou komen te staan, misschien als een reactie op mijn teruggetrokken houding.
Het is een vreemde ervaring te luisteren naar een gesprek van twee anderen waarbij één van die anderen zich als jou uitgeeft, zelfs wanneer die ander je acht jaar jongere broer is. Soms probeerde ik de ongenuanceerde, geregeld zelfs onjuiste uitspraken van mijn broer te corrigeren, maar dat was onbegonnen werk, want hij had de aandacht van Paul volledig naar zich toe getrokken en voor de echte Paul van Leeuwenkamp was er geen ruimte. Een frisse, drie jaar jongere vent was natuurlijk veel aantrekkelijker dan een vijf jaar oudere baardmans, al zal ik daarmee de inhoud van hun gesprek tekort doen. Ik bestelde dus maar wat bier voor ze en liep weer naar de podiumruimte, luisterde naar de dichters, bestelde bier, keek naar de huisband en bestelde weer bier. Zo denderde de avond verder, tot deze werd afgesloten door een geïmproviseerd samenspel tussen een Vlaamse dichter en de huisband. Paul en de Paul die geen Paul was bleken al die tijd met elkaar in gesprek gebleven en toen we gedrieën buiten stonden en de andere bezoekers één voor één in de nacht verdwenen, werd afgesproken dat ook Paul bij mijn broer in Amsterdam zou blijven slapen. En daar werden nieuwe flesjes bier geopend en spraken zij verder.
Vanuit de mist van alcohol luisterde ik toe en bracht af en toe ook zelf wat te berden. Niet veel, want de situatie zat mij danig dwars. Ik was aanwezig als een ander en hoorde dat ik wel kon schrijven maar geen ideeën had. Al mijn weerwoorden werden echter weggevaagd door het emotionele gesprek dat mijn broer en Paul voerden. Ik voelde mij genegeerd en het was alsof mij mijn identiteit ontstolen was. Bovendien vond ik dat de grap dusdanige proporties had aangenomen, dat het geen grap meer was maar een ontoelaatbaar bedrog. Ik was echter niet bij machte iets aan de situatie te veranderen. Het was iets dat in gang was gezet en maar doordenderde.
In de katterige ochtend lag ik lang in bad, met de gordijnen van de badkamer gesloten, op vlucht voor de leugen van de nacht. Achter de grijs geverfde deur klonk het onverstaanbare gebrom van het gesprek, dat blijkbaar weer was opgepakt. Toen ik eindelijk het daglicht weer kon verdragen, stond Paul op het punt te vertrekken, zijn hand al op de trapleuning, zijn lange haren wat in de war.
“By the way Paul, ik ben Ernst en hij is Paul.”
Uiteindelijk, op het allerlaatste moment, trok mijn broertje dan toch de sluier van bedrog weg. Het veroorzaakte een schichtig heen en weer schietende blik bij Paul, ongeloof en twijfel. Wat was de waarheid? Daarna zijn gehaaste vertrek.
Het zal niet verbazen dat dit nachtbraken niet tot grote vriendschap leidde. Wanneer ik mij destijds in het fandom had gestort en de jaarlijkse SF-conventies had bezocht, zoals Paul deed, had het wellicht een vervolg gekregen, maar een grote vriendschap zou het waarschijnlijk niet geworden zijn, daarvoor waren we te verschillend.
Paul verdween in de mistige regionen van de KKA-jury en ging een steeds prominentere rol spelen in het fandom. Ik werd opgeslokt door het werk, schreef met horten en stoten een verhaaltje per jaar en kwam er niet toe de jaarlijkse conventies te bezoeken, al had de Meynacht naar meer gesmaakt. Via een 13de plaats in 1986 en een 29ste in 1987 zakte ik weg. Waardering trof ik nog wel, maar de echte uitschieters naar boven bleven achterwegen. In 1986 oordeelde Paul over mijn inzending zoals hij in wezen altijd over mijn verhalen zou blijven oordelen: “Een op zich interessant relaas over een psychiatrische proefneming… dit zou een interessant verhaal zijn als het vijf of zes pagina’s lang was geweest…” Na 1987 liet ik de KKA voor wat ze was en mijn band met de SF-wereld leek geheel te verwateren.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. In 1990 was de SF WorldCon in Den Haag en dat kon ik natuurlijk niet aan mij voorbij laten gaan. Eindelijk bezocht ik een échte SF-conventie. En natuurlijk was Paul daar ook.
We liepen elkaar in een van de gangen van het Congresgebouw tegen het lijf en gingen even aan de kant zitten kletsen, ik weet bij god niet meer waarover. In ieder geval kwam onze vorige nacht niet ter spraken. Paul was veranderd. Zijn lange haar strak in een staartje, zijn brilletje onzichtbaar door contactlenzen, het wat groezelige spijkergoed vervangen door strakke, overwegend zwarte kleding. Hij liep er met een zelfbewuste air, iemand die zich thuis voelde in de drukte van het fandom. De onzekerheid waarop ik hem jaren daarvoor betrapte, leek verdwenen, had plaats gemaakt voor een vriendelijke afstandelijkheid. Paul won toen, helemaal in zijn eentje, de King Kong Award met De Wintertuin, het verhaal waarmee hij ook als schrijver mijn respect veroverde. Want dat verhaal ging over mensen, het proefde waarachtig en bleef niet steken in allerlei details over buitenaardsen die mij niet boeiden. Ik denk dat ik dat na tien, twintig jaar SF lezen wel gezien had, en dat er voor mij iets persoonlijks menselijks in het verhaal aanwezig moest zijn, al was het maar op de achtergrond, door accenten en formuleringen. Daardoor spraken schrijvers als Peter Cuijpers, Vincent van der Linden en Jan J.B. Kuipers, die niet alleen SF of fantasy schreven, mij meer aan. Daarom sprak De wintertuin mij aan.
Zonder dat hij het ooit heeft geweten, bracht Paul me terug bij de SF. Hij stelde me voor aan Jaap Boekestein en Peter Kaptein, die in die tijd de rol van Remco Meisner uit de tachtiger jaren begon over te nemen door zich actief tegen het SF-establishment te verzetten en een nieuw tijdschrift op te richten, Ator Mondis. Zij sleurden ze me mee naar mijn eerste schrijversworkshop, die door Tais Teng werd gegeven. Ze brachten me in contact met Mike Jansen en Max Hirschfeld, kletsten me om met z’n drieën een schriftelijke workshop te doen, zeurden om verhaaltjes voor Ator Mondis en Manifesto Bravado. Ik was in contact gekomen met een nieuwe generatie jonge SF-schrijvers, vol energie en initiatieven, vol ideeën en jeugdige overmoed. Al was ik tien jaar ouder en stond ik door mijn andere verplichtingen een beetje aan de rand van deze groep, toch werd ik als vanzelfsprekend opgenomen.
Ook Paul stond aan de rand van die groep en steunde Ator Mondis met verhalen als Orchard Road (1991) en Het Osenby-ritueel (1992).
Hun enthousiasme inspireerde me en bracht me dichter bij het fandom dan ik ooit eerder was geweest. Ik begon trouw de SF-conventies te bezoeken, en daar was Paul altijd aanwezig. Wanneer hij een schrijversworkshop deed gingen we er met z’n allen naar toe, gewoon voor de lol van het schrijven. Ik schreef weer SF-verhalen en kon dus weer meedoen met de KKA.
In 1991, het jaar dat Paul om mij nog altijd duistere reden als jurylid noch als deelnemer deelnam, werd ik 13e en 14e, maar in het jaar daarop werd ik 2e én 3e. En opnieuw dwong Paul een prominente plaats in mijn schrijversleven af, nu door mij de eerste plaats en de daarbij horende onsterfelijkheid te ontnemen. Hij werd namelijk 1ste met Retrometheus, een verhaal dat hij met Mike Jansen schreef.
In deze positieve schrijfperiode sprak ik Paul regelmatig op conventies en op verjaardagsfeestjes van Mike Jansen. Ook liepen we elkaar geregeld in de stad tegen het lijf, in een van de winkelstraten of op het station. Want Paul woonde toen, net als ik, in Utrecht. We liepen dan een eindje met elkaar op en gingen vervolgens ieder weer onze eigen weg. Hij werkte bij de NS, in de informatievoorziening, en woonde, als ik het mij goed herinner, in de Vogelenbuurt, niet ver van waar ik woonde. Op een van die conventies zag ik ook weer eens de schichtige blik die ik van onze eerste ontmoeting kende, namelijk toen Jan Kuipers grijnzend Pauls verhalen bekritiseerde, meer uit goedmoedige plagerij bij een glas bier dan een werkelijk gemeende aanval. Ik realiseerde me toen dat de onzekerheid er nog steeds was, net als bij mij, net als bij iedere kunstenaar.
Begin 1993 werd mijn bij Uitgeverij Opwenteling verschenen gedichtenbundel Brede gebaren ten doop gehouden met een literaire middag, waarvoor ik vier auteurs uitnodigde. De dichters Leo Verzuu en Luuk van Zutphen, de schrijver Jean Severeijns, een bevriend redacteur bij Appel, die net zijn eerste roman bij Nijgh & Van Ditmar had gepubliceerd. En er moest ook iets van SF bij, want dat hoorde ook bij mij. Ik aarzelde tussen Tais Teng en Paul Harland, en het werd Paul.
In 1993 ging de KKA wegens te weinig inzendingen niet door, maar in 1994 zat Paul weer in de jury. Over mijn verhaal, dat heel netjes 7e werd, oordeelde hij: “Uitstekend geschreven verhaal. Bijzonder heldere stijl, mooie woordkeus. Maar van iemand die taalkundig dit in zijn mars heeft, verwacht ik meer dan een verhaal dat maar voort- en voortkabbelt.” En ik hoorde hem weer zeggen dat ik wel kon schrijven maar geen ideeën had. In 1995 werd ik 3e en opnieuw was het Paul die mij van een overwinning afhield, zij het deze keer samen met de als 2de geëindigde Jan J.B. Kuipers. Opnieuw Paul, opnieuw winnaar, nu door een samenwerking met Vincent Hoberg. In 1996 werd ik weer 7e en vanuit de jury oordeelde Paul: “Dit verhaal zit vol mooie ideeën en leuke details. Het Nederlands is adequaat, en de karakterisering kan ermee door… Het verhaal is 32 pagina’s lang en pas in de laatste vier pagina’s gebeurt datgene waar het om lijkt te gaan… Ik proef hier een ervaren auteur die zich niet ten volle heeft ingezet om dit verhaal uit te werken.”
Was ik in literair opzicht nog altijd aan het zwalken – want behalve SF-verhalen en gedichten schreef ik in mijn schaarse tijd ook nog essays en mainstreamverhalen – Paul werkte gedisciplineerd verder aan zijn carrière als SF-schrijver. Na zijn prijzen bij de KKA en zijn novellen in de Rare Boekjes Reeks in de jaren tachtig, verschenen bij Babel Publications, gerund door Roelof Goudriaan, Mike Jansen en Jaap Boekestein, zijn eerste échte boeken: de verhalenbundel Remote Control (1993) en de roman Water tot ijs (1994).
Het zal hem genoegen hebben gedaan, het verschijnen van die mooi uitgevoerde boeken, maar tegelijkertijd was er ook onvrede. In een van onze stadsgesprekken gaf hij daar uiting aan. Hij had heel hard aan Water tot ijs gewerkt, wekenlang was hij er na het thuiskomen van zijn werk gedreven en gedisciplineerd mee aan de slag gegaan, maar uiteindelijk leverde het maar duizend of hooguit een paar duizend gulden op. Het frustreerde hem duidelijk niet van zijn schrijven te kunnen leven, een situatie die mede door hemzelf werd veroorzaakt. Want Paul was niet bereid tot compromissen. Zo vertelde hij dat hij en Tais Teng ooit eens een roman naar Meulenhoff hadden gestuurd, de eerste hoofdstukken en een synopsis voor de rest, maar ze kregen zoveel opmerkingen over de gewenste loop van het verhaal, dat ze het verder maar voor gezien hielden. In plaats van zich aan te passen aan de Nederlandstalige markt en de wensen van de Nederlandstalige uitgevers, zocht hij zijn heil in het Engels. De mooi uitgegeven pocket Systems of romance (1995), met vooral werk dat hij samen met Paul Evenblij schreef maar ook een vertaling van “De wintertuin”, was misschien een poging om een plekje op de Engelstalige markt te veroveren. Toen ik hem vroeg of hij de titel had ontleend aan de derde LP van Ultravox, de échte Ultravox, kreeg hij een peinzende uitdrukking op zijn gezicht en zei toen dat het niet bewust was gedaan, maar dat sommige dingen onbewust doorwerken.
Dacht ik eind jaren tachtig dat een vaste baan desastreus was voor het schrijverschap, halverwege de jaren negentig kwam ik er achter dat het niets was vergeleken met het hebben van kinderen. Opnieuw veranderde mijn leven totaal. Met een eerste dochter in 1995 was er nog wel tijd over, zowel voor verhalen als voor gedichten. Mijn plaatsen bij de KKA toonden dat. Maar mijn tweede dochtertje werd teveel. Twee kinderen is niet twee keer zoveel werk, het is op z’n minst de hoeveelheid werk van één in het kwadraat. De toch al versnipperde tijd versnipperde nog verder en zelfs in avondlijke stiltes klonk er gehuil, al was het maar in mijn gedachten. Schrijven werd een hindernisbaan en na elke hindernis moest ik weer in mijn verhaal komen, terwijl mijn hoofd vol appelmoes zat. De Millennium Prijs, zoals de King Kong Award inmiddels was gaan heten, drukte mij in 1997 hard met mijn neus op de feiten. Ik duikelde naar een 28ste plaats. Maar Paul gaf goede raad: “streep de helft van het verhaal weg, verbeter het taalgebruik van de rest, stop er wat kleurrijke locaties en goede ideeën in, en misschien wordt het dan nog eens wat.”
Soms denk ik dat dingen komen wanneer ze moeten komen. In ieder geval werd ik eind 1997, toen ik had besloten voorlopig maar geen verhalen meer te schrijven, gebeld door Vlabin, een Vlaamse organisatie die zich richt op het bibliotheekwezen – of ik voor hun recensietijdschrift Leesidee SF- en Fantasyboeken wilde recenseren en af en toe een kort artikel wilde schrijven. Ja, besloot ik, dan blijf ik in contact met het genre en misschien dat het op termijn zijn vruchten afwerpt. In februari 1998 verscheen mijn eerste recensies, in april mijn eerste artikeltje. Sindsdien schreef ik meer dan 200 recensies voor ze. De snippers vrije tijd werden gevuld met lezen en recenseren, conventies bezoeken kwam er niet meer van. En met Paul was er geen enkel contact, want sinds hij in 1996 van Utrecht naar Tiel was verhuist, was er ook een einde gekomen aan onze stadsgesprekken.
Maar, inderdaad, het bloed kruipt waar het niet gaan kan en op een gegeven moment zat ik toch weer aan een verhaaltje te prutsen. Weliswaar een oude tekst, maar toch… En bovendien liep dat verhaal steeds meer uit de hand. Het kreeg een dusdanige omvang, dat ik mij begon af te vragen waar ik mee bezig was. Een roman? Maar daar had ik helemaal geen tijd voor. Op zoek naar verhelderend commentaar besloot ik het voor de Millennium Prijs in te zenden, in 2001, het jaar dat niet Jaap Boekestein en niet Dirk Bontes organisator was, maar Paul. Ik mailde hem om het reglement en Paul reageerde enthousiast:
“Ha die Paul, Inderdaad, lang geleden… Ik kan me echt niet meer herinneren wanneer we elkaar voor het laatst hebben getroffen. Volgens mij een jaar of vier geleden.
Ik ben net klaar met de first draft van een roman in het Engels, de titel is “the hand that takes.” Daar ben ik het leeuwendeel van 2000 mee bezig geweest.
Waarom niet meer geschreven? Simpel, maar niet schrikken… In 1997 voelde ik me eerst een hele
tijd niet goed; eind 97 ontdekte ik een bobbeltje op mijn linker wang. Eindresultaat: lymfeklier kanker, zwaar uitgezaaid. Heftige chemotherapie ervaren, en eind 98 geheel genezen verklaard. In 99 geen fut of idee om te schrijven, en pas in 2000 weer begonnen.
Waarom schrijf ik eigenlijk? Soms denk ik dat mijn eigen leven leest als een soapserie
Daar valt niet tegenaan te verzinnen. Gelukkig zijn zowel ik als mijn goede humeur onverwoestbaar.”
Mijn eerste hoofdstuk werd 14e en Paul oordeelde: “Dit verhaal begint met een heel fascinerende premisse. Het idee is vreemd en fascinerend, en het is dan ook met enige teleurstelling dat ik de scènes waarin de hoofdpersoon een rol moet spelen, maar door en door zie gaan…” Daarbij nog een paar andere punten van kritiek leidde tot het oordeel: “Dat is ontzettend jammer van wat in feite een ijzersterk en heel bevreemdend basis-idee is! Van hetzelfde materiaal had je een strak avonturenverhaal kunnen maken…” Was dat goed voor iets wat helemaal geen “strak avonturenverhaal” moest worden? Of was het juist slecht, omdat een eerste hoofdstuk de lezer toch moet pakken. Ik wist het niet en ging dus maar verder met lezen en recenseren. In de nasleep van die Millennium Prijs meldde Paul nog: “Met mij is alles uitstekend, mijn gezondheid is goed en mijn karakter is slecht. Onlangs besefte ik plotseling dat ik nu het soort mens ben waar mijn ouders me vroeger altijd voor hebben gewaarschuwd; en nu ga ik door het leven met het warme gevoel dat ik echt iets heb bereikt.”
In 2002 deed ik weer mee met de Millennium Prijs, tot mijn eigen verrassing eigenlijk. Met Ouderdag, weer een hoofdstuk uit een weer een andere roman. Paul gaf het slechts een 40ste plaats. “Ik heb dit verhaal toch zo’n vijf keer gelezen; maar het begrip wil maar niet komen. Tegen deze tijd denk ik toch dat dat aan het verhaal ligt, en niet aan mijn snelheid van begrip. Het linguïstisch framework van dit verhaal is op zich erg origineel, daar wil ik helemaal niets aan af doen. Maar wat er in dit frame gevat is, is niet veel soeps – de belevenissen van een aantal jongens en meisjes in een wat vreemd opgezette omgeving. Ik krijg niet het gevoel dat de linguïstische omkadering hier werkelijk betrekking op heeft. In feite vind ik het een beetje een sisser, het taalkundige idee had veel meer te bieden dat dit.” En natuurlijk had Pauls gevoel gelijk: dat frame was er omheen geflanst om dat hoofdstuk als een min of meer zelfstandig verhaal te kunnen inzenden. Gelukkig sprak dat wat Paul “niet veel soeps” vond andere juryleden juist weer aan en scoorde ik eindelijk weer enkele tweede plaatsen.
Onze nieuwjaarswensen in december 2002 gingen gepaard met plaagstootjes over Pauls beoordeling van Ouderdag:
“Hallo Paul, Een heel goed, gezond en productief 2003 gewenst! (Ook al heb je me natuurlijk veel te weinig punten gegeven bij de MP 2002! Grinnik). Groet, Paul van Leeuwenkamp”
“Ha die Paul, Ook voor jou: productie en succes! En meer punten (=dus beter schrijven). Paul”
In april 2003 las ik in De Tijdlijn dat The hand that takes was gepubliceerd.
En toen plotseling, op 19 juni, dat verbijsterende bericht dat Paul dood was. Hij had het voor gezien gehouden. Mijn hoofd schoot vol gedachten. Was de kanker toch weer teruggekomen? Was The hand that takes geflopt? Had hij relatie- of andere problemen? En na die gedachten dat gat. Een put met in een verre diepte allerlei onduidelijke gevoelens, vraagtekens, vage beelden. Een zwart gat dat niets opslokte maar juist van alles uitstraalde: somberheid, neerslachtigheid, moedeloosheid. Gevoelens die nog versterkt werden door het besef dat er mensen zijn die dichter bij me staan dan Paul ooit gestaan heeft.
*
Al snel na het bericht van Pauls overlijden neemt Peter Motte het initiatief voor een bibliografie. Ik zoek voor Peter oudere nummers van Fantastische Vertellingen na, lees weer de brieven en recensies die Paul in dat tijdschrift publiceerde. Ik kom tot de conclusie dat Pauls manier van recenseren mij beïnvloed heeft, want net als Paul vind ik dat een recensent zich moet uitspreken en zich niet moet verstoppen achter een overbodige samenvatting van het verhaal. In de dagen die volgen herlees ik een aantal van zijn verhalen, Stilleven met Plonmnenmnons, De val van Nieuw-Versailles, verhalen uit Remote control (“Van Paul voor Paul”), waaronder natuurlijk De wintertuin. Ik zie weer het verschil tussen ons, misschien vooral een verschil in wat we kózen te schrijven, want Paul was veelzijdiger en meer belezen dan zijn oeuvre van SFF-verhalen zou doen vermoeden, en ik denk dat onze strijd voor altijd voorbij is. Tussen Paul en mij is er immers altijd die positieve, speelse strijd geweest die voortkomt uit verschillen, een wedstrijd die niet gestreden wordt om te winnen, hoe serieus hij ook is, maar gewoon voor de lol van het spel, zoals ik ooit naar Pauls schrijversworkshops ging voor de lol van het schrijven. Nooit meer een variant van zijn opmerking dat ik wel kan schrijven maar geen ideeën heb, al lijkt zijn mening de laatste jaren te zijn omgeslagen in de opvatting dat ik wel ideeën heb, maar ze niet goed opschrijf.
Nu ik mijn herinneringen aan Paul op een rijtje zet, luisterend naar Systems of romance van Ultravox, besef ik echter dat die strijd nooit voorbij zal zijn, dat ik mij bij elk verhaal dat ik heb geschreven vroeg of laat zal afvragen wat Paul er van gezegd zou hebben. En dan zal ik zijn opmerkingen missen. Zoals ik de mogelijkheid zal missen hem toch weer eens tegen het lijf te lopen.
Sneeuw, de waarheid over Paul Harland
(oorspronkelijk verschenen in Holland SF, op verzoek van de ouders van Paul Harland, toen duidelijk was geworden dat Paul geen zelfmoord had gepleegd)
De wintertuin verlaten. Dat was de titel van het artikel waarmee ik Paul Harland herdacht in Holland SF (2003), toen nog in de veronderstelling dat Paul er zelf voor had gekozen zijn leven te beëindigen. “Paul Harland is dood. Hij heeft zijn Wintertuin verlaten en is de onzekere weg gegaan naar een nieuwe bestemming. Ons laat hij het verder zelf maar uitzoeken.” De veronderstelling van velen, door het oordeel van overheidsinstanties officieel bevestigd.
Nu, een jaar later, lijkt die titel haast profetisch, want Yver, de hoofdpersoon uit De wintertuin, koos er niet zelf voor zijn veilige haven te verlaten; hij werd er toe gedwongen omdat de tuin in verval was. Door zijn eigen schuld? Misschien wel, want het was zijn eigen haast, zijn eigen ontoombare behoefte aan liefde die hem er toe bracht de verkeerde bloem te plukken, om die bloem vervolgens te zien uitgroeien tot het allesverwoestende schepsel Sneeuw. Maar deze filosofische, literaire zienswijze blijkt niet in overeenstemming met de waarheid die we emotioneel als Waarheid ervaren. Feiten blijven feiten en ieder is verantwoordelijk voor zijn eigen daden.
Ik vind dat je iemands keuzes moet respecteren, dat je je daar bij neer moet leggen, ook wanneer die keuze inhoudt dat iemand zijn leven beëindigt. Vrienden van Paul als Dirk Bontes en Jannelies Smit hebben dat gelukkig niet gedaan en zijn met hun twijfel naar de politie gegaan. Dat leidde tot verder onderzoek, dat aantoonde dat Paul zijn wintertuin in Tiel helemaal niet zelf heeft verlaten. Net als Yver is hij er door zijn partner, geen Sneeuw maar Tarik geheten, met geweld uit gedonderd.
Slechts verbijstering en triestheid resten, en die zijn des te groter in het licht van de persoonlijke strijd die Paul de laatste jaren leverde. Hij overwon de dood van de kanker, klom met hernieuwde levenslust uit zijn artistieke dip en publiceerde The hand that takes, volgens velen het beste dat hij ooit schreef, een hoopvolle belofte voor de toekomst… en dan wordt hem vanuit het meest intieme, het meest vertrouwde, een mes in de rug gestoken. Voor materieel gewin werd hem die zwaar bevochten toekomst ontnomen. Verschillende bronnen meldden dat Pauls relatie met Tarik ten einde liep en dat Tarik dan de wintertuin die Paul hem schonk zou moeten verlaten. Dat leidde niet tot een vlaag van verstandsverbijstering door wanhoop en angst, maar tot een rationeel plan dat “met voorbedachten rade” en “op geraffineerde wijze” tot uitvoering werd gebracht. Zinloos geweld waarvoor geen stille tocht is gehouden. Een berichtje op teletekst, twaalf jaar cel waarvan maar een deel zal worden uitgezeten. Boek gesloten? Nee, dat mag niet zo zijn.
Dit stukje is op speciaal verzoek van Pauls ouders geschreven, die net als zijn vrienden willen dat iedereen weet hoe het écht zit. Laat het een begin zijn van onze eigen stille tocht, niet door een kaarsje te ontsteken, maar door ook in de komende jaren nog eens een boek van Paul ter hand te nemen.